V. Een avondgezelschap in De Pauw

Twee jaren verliepen na die bruiloft en veel veranderde in dien korten tijd in ’t kleine Kikkerdorp. De oude kasteleines was gestorven en had de Paauw achtergelaten in ’t bezit van haar kleinzoon, tot meer verschoonbare dan wel prijzenswaardige vreugde der liefhebbers, die nu voortaan ook ’s Zondags kaart mochten spelen, iets wat men van de oude vrouw niet kon gedaan krijgen, al zou men hare krukken ook veranderd hebben in gouden staven. Albert van Kikkerdorp – aldus was z’n naam (’n bewijs dat, zoo iemand, hij het was, die in dat dorp thuisbehoorde) – werd dus kastelein, maar z’n vreugde werd kort na dat heugelijk feit vergald door ’t verlies zijner vrouw.
Evenwel over alles groeit gras, en het gras, wat op het graf der jeugdige vrouw groeide, was juist voor de eerste maal gemaaid – en zoo iets moet spoedig gebeuren op ’n vet kerkhof van klei! – of Sjaantje had ’n stiefmoeder, die gelegenheid had om ’t voor den dag komen der wonde bij Hendrik van Tuil dagelijks waar te nemen. Mogelijk zouden ’n paar lieve kinderen, wel niet de wond geheeld, maar toch de pleister vergroot hebben; doch reeds twee maal had Annemie hem gelukkig gemaakt en beide malen mocht dat geluk slechts enkele dagen van duur zijn. En zoo was de tijd van zuchten, borrels drinken, snikken en hard wegloopen weer aangebroken.

Het was in ’n tijd dat de natuur de rivieren in begaanbare wegen had herschapen en ’n dikke sneeuwlaag over de aarde lag gespreid als ’n deken ter beschutting van ’t winterkoren tegen den vernielenden vorst. Scherp blies de noord-oosten wind hen in ’t gezicht, die ’t waagden buiten te komen en was wreed genoeg om velen zelfs in hunne hutten op te zoeken. En in andere woningen, waar men er in slaagde hem buiten te houden, door alle mogelijke gaatjes en reten dicht te stoppen met alle mogelijke middelen, daar dreigde nog gevaarlijker vijand, dan hem, die men buitensloot ; want wanneer men de deur van zoo’n krot opende, dan was liet voor den binnenkomende of men ’n flesch ontkurkte, waarin men sinds tal van jaren geest van slootwater, extract van ingemaakte snijboontjes en gekondenceerd zweet had bewaard.
Maar al riep ieder, dat men geen hond zou buiten jagen, de vaste klanten van De Paauw waren niet binnen gebleven. Daar zaten trouw op hun post Hendrik van Tuil, Pouw Porkast, de lange Homkop en de lange Manus te kruisjassen; Gijs de Joode, twee
gebroeders Van de Sluis, Gerrit Porkast (bijgenaamd Bil) en nog ’n paar anderen rondom de ouderwetsche kachel ’n praatje te houden over alles en nog wat en aan de andere zijde Albert de kastelein en de smid elk met ’n stuk ,,Nieuws van den Dag” in de handen om zich vertrouwd te maken met de voornaamste bedrijven op het groote schouwtooneel.
’t Zal opvallen, dat we den smid z’n naam niet noemen; maar wij doen dit daarom niet, omdat hij algemeen onder den naam van d e s m i d bekend was. Nooit zou men hem anders aanspreken; ’t noemenvan z’n naam zou-i ’n beleediging hebben geacht en wij hebben thans nog te veel respect voor hem om hem iets smartelijks aan te doen. De gewoonte om de lieden naar hun ambachten te noemen (slechts timmerlieden maakten hierop ’n uitzondering) was zoo ingeworteld in Kikkerdorp, dat men de wederhelft van den smid niet anders kende dan Trui de smid, ofschoon ’t mensch nimmer naar vijl of voorhamer omkeek. Om dezelfde rede en even ongemotiveerd sprak men van ‘n
Pietje den bakker als men de vrouw van den veelvermogenden wethouder enz. bedoelde – die zelf, moet men weten, ondanks z’n prestige nooit anders dan Hannes den Bakker genoemd werd. Maar wij moesten op ’t oogenblik eventjes in De Paauw zijn.
Hendrik had weer ’n vlaag gekregen. Met ’n zucht als ’n paard had-i z’n kaarten neergesmeten en was-i de deur uitgehold op gevaar af van naast de deur met ’t hoofd tegen de muur te stormen.

,,Et zit er weer nie’ krek” – had men opgemerkt en mogelijk zou er nog meer van gezegd zijn geworden als de gebroeders Van de Sluis er niet geweest waren; wier aanwezigheid evenwel, huns ondanks wellicht, de oorzaak was van t incident.
Bij gebrek aan andere liefhebbers was de kastelein verplicht de krant neer te leggen en de kaarten op te nemen om ’t spel aan de gang te houden, blijkbaar tot genoegen van den smid, die eenige oogenblikken van onbetaalbaar genot zag aanbreken Het genot voor hem bestond hierin, dat hij ’n twistappeltje zou opwerpen omtrent ,,de politiek”, waar Albert – hiervan was-i door jaren lange ondervinding ten volle overtuigd – onmogelijk op zwijgen kon, zoodat-i alsdan geslingerd werd tusschen politiek en kaartspel, waarbij hij ’t laatste gewoonlijk vergat en dientengevolge de grootste standjes van de wereld opliep van z’n maat, ditmaal Homkop. En bij elken uitval van den laatste kneep de smid in z’n rechterarm, als ware dit ’t middel om z’n lachlust te remmen.
Ter loops willen we even aanmerken, dat, ofschoon beiden zeer ver wandelende buiten ’t Kikkerdorpsche spoor, zij het volstrekt niet altijd eens waren. De smid was ,,liberaal” en bij ’t uitbreken van den Fransch-Duitschen oorlog had-i van den eersten dag af aan de partij der Duitschers gekozen, zoodat de zaak een door hem gewenscht verloop nam. Daarbij was-i iemand, die, zich eenmaal iets in het hoofd gezet hebbende, dit er niet gemakkelijk liet uitpraten en, als bestond het heele Duitsche leger uit zonen van hem, van den tamboer af tot den veldmaarschalk toe, hij wilde er geen enkel berispend woordje over hooren. Voorts was-i door en door militair, zonder zelf ooit soldaat geweest te zijn en wij hebben zelfs rede om te vermoeden, dat ’n kogel op ’t slagveld nimmer ’n einde aan z’n leven had kunnen maken onder welke omstandigheden dan ook, daar hij lang te voren zou zijn gestorven van schrik. Albert ging verder; was op en top anti-militairist en als zoodanig anti-Duitscher; maar ook met Frankrijk liep-i niet weg en vooral niet met Napoleon. Ook hij noemde zich liberaal, maar hij vond dat de liberalen hoe langer hoe minder dien naam gingen verdienen, zoodat-i destijds reeds veel had af te dingen op de werkzaamheden der parlementaire goochelmachine, die in die dagen l i b e r a le k u n s t e i e r e n heette te produceeren. Albert vond dat ’t w i n d e i e r e n waren – of leege schalen, uitgezogen door de liberale goochelaars en hunne vrienden.
,,Het Loire-leger heelemaal verstrooid . . . “

De smid, geboren in het stadje Hudense, waar-i elken Zondag heen wandelde, liet zich daar niet weinig op voorstaan en sprak veel meer Hollandsch dan de Hudensers zelf. Maar hij had ook ’n jaar lang smidsknecht geweest te Sleewijk schuin tegenover Merwevest en dat verandert dus de zaak. Evenwel in ’t Fransch was-i minder thuis, want z’n meening, dat de woorden precies moesten worden uitgesproken zooals ze daar stonden, zou hem ’t heele Fransche parlement niet uit het hoofd hebben gepraat.
,,Stuk!” – riep Albert. ,,Hij wil nog niet bijten,” dacht de smid.
,,De Franctireurs hebben klop gehad!”
,,Doet er twee, maat! Ze hebbe gin Jan!”
Hij is taai van avond. ,,’t Zal geen week meer duren of de Pruisen trekken Parijs binnen ! Wat zou’e die winderige Franschen tegen die stevige Pruisen kunnen uitrichten?”
,,En ik zeg a’s Bazaine zooveel moed in z’n lijf had gehad a’s ’t volk van Parijs, da’ ‘k ’t dan nog zoo krek nie’ zou geweten hebbe! Bazaine is ’n lafaard l Wa’s troef, maat ?”
,,Schuppes! Kek mar ’n bitje na oe spul, da’s beter as da geklets over de Pruis en de Fransman. Wa’ kan ons ’t hier schèle wie ’t wint!”
Daar gaat het al heen, mompelde de smid, die van vreugde nog ’n glas bier bestelde.

,,Wie z’n schuld ’t is, dat komt er minder op aan; de Pruis vordert en de Franschman krijgt lekker op z’n rug – da’s de hoofdzaak.”
,,Ook ik zij blij, da’ Napoleon gevallen is, zoo is ’t nie, maar de Parijzenaars . . . . . wacht is . . . ‘k heb driekaart !”
,,Stek ze mar op oe pet, ’t is te laat” – voegde Pouw hem toe.
,,Waarom lette nie’ op oe spul ?” – klonk de verwijtende vraag van Homkop.
De smid zag rood tot achter de ooren van ’t gesmoord lachen.
,,De Parijzenaars willen in troebel water visse, maar de Pruis zal ze ’t gemaklik afleere!”
,,Zeker willen ze in troebel water visse! Mar hebbe ze gin gelijk? Wie hegget troebel gemakt? Ze motte nou de kans waarneme, nou of nooit . . . . der ik kan gin slag meer hale!”
,,Vèègt er een, maat” – kommandeerde lange Manus.
,,Wel kèl in de wereld” – bracht Homkop in ’t midden – ,,ge het honderd oogen veur oe.”
,,Honderd ooge vur me? Hoe kunnen zullie dan honderd hebbe?”
,,Ze hebbe zeuvetig roem! Da hedder van a’s gezit te wauwele en ge kekt nie na oe spul.”

De smid verkeerde met z’n bierglas aan de lippen in levensgevaar. Toen-i wat bedaard was, raapte hij het einde der diskussie weer handig op.
,,Ge bedoelt de internationale? ’t Is wat moois! Wat zou daar van terecht komme! Oproermake, plundere, de boel deele . . . . ”
,,Ach man, ge weet er niks . . . .”
,,’k Heb ’n kaart te veul! Vergeve!
,,Dèr, gefde gij ze dan . . . . Ge wit er niks van, smidje ! Gin weergaai! Onthauwd is wat ik oe zeg: eer we vijf en twintig jaar auwer zijn regeere die Internationalen de heele wereld.”
,,’k Heb er drie!”
,,Hoe dik?”
,,De Koning is ‘nen kwaaje kèl!”
,,Deuge niet ‘k Heb ze van ’n aas!”
.,Stèk ze maar op oe pet” – zegt Pauw – ,,’k Heb ‘ene veftiende! Da’s d’r deur, maat!
,,Ge hegget gewonne! – ‘k Schai er uit! Da’s zoo gin speule! – barst Homkop uit en ’t eerste kwartier zeide hij niets meer, want hoewel zelf z’n eieren opetend en dus niet handelend zooals die gierige Jan van den schout, lag hem toch de stuiver, die hij verloren had, zwaar op ’t hart.
Het kaartspel was dus ten einde en hiermee ook de twistlust van den smid, die vooreerst z’n blozend gelaat weer barrikadeerde achter “Het Nieuws van den Dag”.

Aan de kachel had men in dien tusschentijd ’t sinds weken behandelde onderwerp weer opgediept, namelijk de komst van ’n nieuwen dominé, welke heugelijke gebeurtenis – vooral heugelijk omdat men weer ’n paar jaar zonder had gezeten – binnen enkele dagen zou plaats grijpen.
,,’t Is anders ’t wirke wel om te verhuizen.”
,,Ja, mar as z’n goed nie’ onder de weg was gewist, dan zo-i et ok wel ’n hort uit hebbe gesteld!
Wie zô er met zu’n weer op rès gaan!”
,,Hij treft ’t aan eenen kant nog gelukkig dat de schuit Rotterdam hee kunnen hale? Nou kan ’t ten minste met spoor tô Bommelstad komme l”
,,En daar motte wij ’t haale.”
,,Haald’ ook en vrachtje vur den nijen buurman, Pouw ?”
,,Ik zou je danke, hoor! As-i twee riksdaalders gift! Van niks kan bij mijn de schoorsteen nie’ rooke! A’s ge da’ mar wit !”
,,En wij dan ?’
,,Da’ gullie gek zijt, kan ik nie helpe!” – antwoordde Pouw en voegde er aan toe: ,,’k Wô da’ ge mar nie’ zô gek waart, dan verdiende wij voerlui nog ’n paar cente! Maar ’t kan me nie’ schelen ook!l Zoolang as de rivier dicht zit is ’t er gin krimp met ’t werk.”
,,Da’ zie-de man ! Den eëne het er vurdeel bij en den andere schaai. ‘k Wed de smid er niks geen spijt van het dâ ve allemaal ’n peèrd scherp late zette om den dominé z’n huisboel af te hale? Hoeveul hedder al scherp gezet, smid ?”

De smid nam aan dergelijke gesprekken gewoonlijk geen deel en zat achter z’n krant te lachen om den ijver, die men aan den dag legde bij ’t afhalen van bedoelde meubelen, terwijl ieder der ijveraars, die thans als in ’n wedstrijd van huldebetoon zich letterlijk afsloofden, hem wellicht over drie maanden doodmoe zou zijn. Thans deed men hem persoonlijk ’n vraag en hij antwoordde!
,,Tot hiertoe drie en twintig in drie dage.”
,,Meer zullen d’r ok wel gin komme, dink!”
’t Is genogt ook! Affe ieder en vrachtje doen dan is ’t er l”
,,Telde gij er dan mar zo licht over, mar ik zeg dat ’t nie niks is na Bommelstad en na ’t spoor en ‘nen dijk zoo glad as ‘ene spiegel! ’t Is halsbrèkes werk en ik weffer heen en terug zes uren over doen!”
,,Ja, ja, Manus hee’ gelijk! Ik heb de kleèn bruin scherp late zette en Lukas mot er mee op uit; mar ik wo’ dat ’t achter de rug was” – zei Honikop, die lang niet dominé’s-achtig was, maar voor den naam niet wilde achter blijven.
,,Wij hebbe de kol, de donkerbruin en den grauwe scherp gezet” – voerde een Van de Sluis aan.
,,Dus gullie gaat er met drie op af?” – merkte Homkop op met ’n duivelachtig lachje, wat zooveel beduiden moest als : ik gun je de pret!
,,’n Gelukkig mins, die gin pèrd bezit” – bracht Gijs de Joode in ’t midden, die als ’n oud vrijgezel leefde, z’n land verhuurde en van z’n broers paard gebruik maakte als-i eens wilde uit rijden gaan. ,,Mar ik heb meejelije met den dominé en de juffrouw en et keind, dal ze met zu’k hondeweer uit Zeeland motte komme?”
Deze van zooveel oprecht medelijden getuigende ontboezeming van den ex-luitenant der rustende schutterij – met permissie – gaf den smid, wien ’t dominé’s-praatje al te lang geduurd had, gelegenheid om een van z’n geliefde vertelseltjes op de proppen te brengen, waarnaar, al werden ze ook voor de honderdste maal verhaald, allen (behalve de door z’n krant totaal gehypnotiseerde kastelein) met open monden luisterden en wel voornamelijk, omdat-i aan ’t oude altijd ’n weinig nieuws wist toe te voegen.
,,Ja, ’t reizen is met zoo’n gelegenheid lang niet pleizierig, maar daar hebben zich wel grooter mannen as jullie aanstaande dominé in moeten getroosten! Het was in ’39 toen ik in Sleeuwijk diende en op ’n eerste Kerstdag na huis kuierde. Alles zat dicht; net as nou. Ik had even ’n boodschap in Merwevest en ging toen schuins over ’t ijs na Vissersgat. Toen ik is omkeek zag ik dat iemand z’n best deed om m’n in te halen en ik bleef dus wachten tot-i bij me was en ik zag dat et ’n officier was. Hij zegt: ,,waar is de reis op aan, vriendschap?” Ik zeg: ,,na Hudense, meneer.”

,,Zoo, zeit-i, dat treft al bizonder, want ik mot ook na Hudense; ’t is nog ’n heele kuier en dan is ’t wel zoo pleizierig om gezelschap te hebben as om alleen te gaan.”
Nou, daar had-i gelijk in, want ’t was nog vier volle uren en dan hoefden we ’t gras niet onder de voete te laten groeien. Ik zeg: ,,komt meneer in Hudense in garnizoen?” ,,Nee, vriendschap” – zeit-i – ,,ik kom daar van daan; m’n moeder woont er en nou ik deze week luitenant ben geworden, zal ze wel in d’r schik zijn as ze me ziet.” Ik keek ‘m is goed aan en ik zei: ,,Luitenant, kannen wij mekaar dan nie’ ? Want ik kom ook van Hundense.” Hij zeit: ,,Ik ben Weitzel!” Ik keek ‘m nog is beter aan en waarachtig as God, ik kande’n ‘em ; hij was et . . . . De zoon van ’n arme weeuw van ’n waschbaas; ik had as jongen, toen-i geen broek aan z’n gat had, wel honderdmaal met ‘em gevochte. En dat-i toen nog arm was, begreep ik gemakkelik, want anders had-i wel ’n rijtuig genomen en toen w’ is aanstake kon-i gemakkelik zien dat ik ‘et gelag, betaalde. Maar dat hielp nie: ik heb nooit van z’n leve zoo plezierig na huis gekuierd, zoo gezellig wist-i te prate. En nou lees ik daar in de krant, dat Luitenant-Generaal Weitzel genoemd wordt als onzen aanstaanden Minister van Oorlog.”
Zegevierend liet-i z’n oogen over ’t gezelschap weiden; uit z’n blik sprak duidelijk: Wat zegge jullie nou van m’n schoolkameraad? Ja, ’t was als gevoelde hij, dat én door die vroegere gevechten in de kinderjaren én door die wandeling van Merwevest naar Hudense met het vertrouwelijk gesprek en de invitatie in ’n herberg, een gedeelte van den roem des grooten mans op hem afstraalde. Bij elke gelegenheid, dat-i ’n verhooging van rang van z’n afgod in de krant had gelezen, had-i ‘tzelfde verteld, maar nimmer met zooveel enthousiasme als thans; waarschijnlijk omdat-i zich zelf overtuigde, dat heden Mars het toppunt van den Olympus had bestegen, gereed om alle goden en godinnen aan zijn wil te onderwerpen. Het was hem zelfs gelukt om ten laatste Albert uit hoogere sfeeren naar beneden te sjorren.

Toen-i zich blijkbaar verzadigd had aan het van verwondering en eerbied getuigen gegaap van z’n publiek, voegde hij er aan toe : ,,Ge ziet dus, dat zelfs g r o o t e mannen (verbazend drukkend op dat g r o o t e) met zoo’n weer wel ’n voetreis maakten en daarom zullen we maar niet al te veel meejelijen hebben met den dominé.” Maar als begreep hij, dat dit gezegde ’n donkere wolk wierp op z’n behaalde triomf, trachtte hij het te vergoeielijken door te zeggen: ,,Ge ziet dus dat er voor g r o o t e mannen (dezelfde drukking) nog wel kanst is om hooge posten te beklimmen!”
Thans gold z’n blik over de brilleglazen meer in ’t bizonder Albert, die hem antwoordde:
,,Dat er kans is voor lichte voorwerpen om omhoog te waaie – wilde zegge?! Nou minister, over twee of drie jaar pensioen, duuzende guldens uit de schatkist en wij kunne ‘et betale! Ge het em in ’39 niet vurde leste keer getrakteerd, smidje! Hij drinkt elken dag nog wijn op oe en mijn en ander z’n gezondhed.”
De smid, diep gekrenkt, dronk z’n bierglas leeg en ging naar huis, ’n kwartier vroeger, dan-i sinds jaren gewoon was.
Het overige gedeelte van ’t gezelschap begreep van die omhoog waaiende voorwerpen niemendal, maar aan de belasting hadden ze ’t land als stieren, zoodat ze geen oogenblik aarzelden om Albert in ’t volste gelijk te stellen; iets wat den smid, indien-i ’t gehoord had, bepaald z’n nachtrust zou hebben bedorven.
Over ’t algemeen waren de boeren tegenover Albert, die nog meer dan de smid voor ’n mirakel van geleerdheid gold, niet erg strijdlustig, wanneer hij hen maar niet wilde wijsmaken, dat de steenkolen afkomstig waren van boomen, die eenige millioenen jaren onder den grond hadden gezeten, in plaats van met alle andere snuisterijen tegelijk geschapen te zijn voor vijf duizend zes honderd een en dertig jaren en eenige dagen.
Wie aan ’t reuzenwerk der schepping van ’t heelal in zes dagen (zonder acht uren-wet) dorst twijfelen, was ‘n ketter.