XV. Kikkerdorpsche kermis

Twee jaren gaan we zwijgend voorbij en we vinden Hendrik van Tuil terug als ’n beklagenswaardig wezen. Sinds eenigen tijd heeft hij zijn bezoeken aan de Paauw gestaakt, want ofschoon geen dertig meter van hem verwijderd is het hem onmogelijk dien afstand af te leggen. Twee omstandigheden dragen daartoe bij; ten eerste een malheur aan ’t been en ten tweede z’n buitengewone dikte. Het eerste heeft hij mee uit Amerika gebracht, en dat-i ruim honderd vijf en twintig kilogrammen weegt komt van ’t drinken. Wat z’n beenlijden betreft, daaromtrent loopen de gevoelens verschrikkelijk uiteen. Volgens z’n eigen verklaring is-i daar in ’t overzeesche op den sneeuw uitgegleden en omrede er daar geen smid was, die de kunst verstond om met natgemaakten duim en blootshoofd driemaal te strijken en dan de hoopvolle verzekering te geven, dat de pijn nog precies zoolang zal duren als ze reeds bestaan heeft, kon ’t niet anders of de ontwrichting moest ’n ernstig verloop nemen.
Deze mededeeling had weer aanleiding gegeven tot tal van vragen, b.v. of ’t dan in Noord-Amerika ook sneeuwde en of ’t dan niet waar was, dat daar altijd de zon als ’n gloeiende bol New-York, Philadelphia, Chicago en andere platsen – deed blakeren; of daar dan niet de vledermuizen rondvlogen zoo groot als ooievaars enz. enz. Men had in Kikkerdorp bij ondervinding – reeds drie dorpelingen waren zeelieden geweest ! – dat iemand die verre reizen doet, veel kan verhalen; maar men koesterde tevens ’n flauw vermoeden, dat lui, die over zee geweest zijn, schrikbarend kunnen liegen, en over ’t algemeen was men zeer geneigd aan deze laatste eigenschap te denken met betrekking tot ’t beenmalheur.
Meer en meer won het geloof veld, dat hij in “verkeerde huizen” had geloopen en aldus lijdende was aan ’n walgelijke ziekte. Men ging zelfs zoover om op de absentie van zekere deelen te zinspelen; anderen namen dit voor onomstootelijk aan en verklaarden met volkomen gerustheid en vrome verachting,
dat de urine hem op kunstmatige wijze werd afgetapt.
Dat Sientje hem ten tweede male ’n gezonde dochter had vereerd, kon in dit oordeel geen verandering brengen; sommigen gaven te kennen dat zoo’n “hoer” overal liep – hoewel ze in waarheid nergens kwam – en anderen schenen niet ongeneigd om op z’n protestantsch te gaan gelooven aan ’n soort onbevlekte ontvangenis.

Intusschen waren al deze praatjes louter verzinsels, want geen enkel vroom gehuwd man voor God en wet, kan tegenover z’n eigen hem door den Allerhoogste geschonkene vrouw eerlijker in z’n schoenen staan dan Hendrik tegenover Sientje stond.
Welk soort ongeluk hij aan z’n been bekomen had is ons onbekend, ook wij moeten dus op z’n eigen verklaring afgaan; maar dat ’t een gewoon ongeluk was en niet iets, waaraan ’n lasterziek volk zoo gaarne gelooft, dat is zeker en even zeker is het, dat dit malheur er door z’n verschrikkelijk drinken niet op
verbeterde. Want al kon-i zelf niet meer naar de Paauw loopen, daarom gebruikte hij nog wel het vergif wat er verkocht werd! Thans werd ’t voor hem gehaald, met liters tegelijk. Gewone jenever baatte hem niet meer; die liep er in als water, zonder dat-i de minste prikkeling ondervond; waarom hij van den sterksten brandewijn gebruikte, deze bovendien nog aangezet met sterk prikkelende kruiden en ten slotte twee liters per dag, zonder dat-i ooit meer dronken werd.

In dezen jammerlijken toestand treffen wij hem aan op ’n Woensdag namiddag, zittende op den buiten trap, die naar de keuken voerde. Z’n aanblik is tienmaal meer in staat om den denkenden opmerker in ’n geheelonthouder te bekeeren, dan ’n goederentrein vol Christelijke afschaffingstraktaatjes vermogen. Z’n één bruikbaar oog, tracht uit ’t paarschblauw gezwollen gelaat te deserteeren; de onderste der drie kinnen hangt op z’n vest; hij zit te hijgen naar adem – nog geen veertig jaren oud en dood versleten, afgeleefd door eigen toedoen. Elk oogenblik ziet-i door de geopende deur naar binnen, want ofschoon men elke tien minuten met ’n spoelkom aankomt om hem te laten drinken – expres uit ’n spoelkom omdat ’t geen aanstoot zou geven ! – schijnt men hem toch nog te lang uit te blijven en smakt hij met de droge lippen, tegen dat de tien minuten verstreken zijn.

De steenen trap komt uit op het boerenerf en wordt gewoonlijk gebruikt om binnen te komen. Aan de dijkzijde heeft de boerderij ook wel ’n voordeur, maar deze wordt – evenals in alle boerenhuizen in Kikkerdorp – nimmer geopend. ’t Is ons altijd duister voorgekoomen, wat of eigenlijk de bestemming van zoo’n ongebruikte voordeur was, evenals ’t ons thans nog onbegrijpelijk is, wat men in vele gezinnen met ’n pronkkamer doet, waarin men de beste meubelen laat bederven en men nimmer ’n voet mag zetten. De keukendeur zag dus uit op het erf met ’n hooiberg, ’n mestput en ’n klein schuurtje, ’n gezicht dus dat alles behalve pittoreske kan genoemd worden.

Waarom hij dan op dien Woensdag behagen had om op dien trap te zitten, terwijl ’t reeds Oktober en vrij koud was ? Omdat er iets op zijn erf stond, wat niet alleen daar, maar in geheel Kikkerdorp iets zeer ongewoons was.
Ter verduidelijking merken wij op, dat het de eerste Woensdag in October was, als zijnde de dag, waarop de Tielsche almanak aanwees, dat ’t kermis zou zijn in Kikkerdorp. maar ditmaal zou ’n vreemdeling dat weten en ondervinden al stond ’t ook n i e t in dien almanak! Op de Koekdijksche paardenmarkt – ruim
’n week vroeger – was voor ’t eerst met buitengewoon succes ’n mallemolenbaas opgetreden, met zijne wereldberoemde getemde leeuwen, paarden en ‘zeemeerminnen’, z’n vaartuigen, die nimmer schipbreuk lijden en z’n arresleden, die geen ijzers te verliezen hebben; en afgaande op de daar aan den dag gelegde
mallemolendolheid, kwam de eigenaar tot de niet ongepaste gevolgtrekking, dat deze ziekte epidemisch moest heerschen in de environs, waarop-i besloot aanvraag te doen om ook te mogen “w e r k e n” in Kikkerdorp, hetwelk hem met de meeste bereidwilligheid werd toegestaan.

Doch waar zou de man plaats vinden. Het eigenlijke kermisterrein, de Klosbaan, was bezet door de zes vrouwen met hunne stereotype tafeltjes, koekkisten en koekblokken en op den dijk, dan zou-i ’t openbaar verkeer belemmeren; wat zelfs in Kikkerdorp niet verkieselijk kan heeten.
Wie hem op ’t idee bracht om op het boerenerf recht tegenover de Klosbaan te letten is ons tot heden onbekend, maar uit zich zelf had de man dit niet, want later verklaarde hij in z’n leven niet op ’n boerenerf gestaan te liebben – waarmee hij natuurlijk zijn d r a a i e n d e i k bedoelde. Hoe ’t zij, hij ging naar Hendrik van Tuil en vroeg permissie. En Hendrik, die nimmer zonder dringende redenen zou weigeren om z’n medemensch van dienst te zijn, gaf hem de gevraagde vergunning direkt en . . . . . thans zit-i op dien steenen trap zich te verlustigen in ’t gezwiemel van den caroussel en ’t geschetter van ’t draaiorgel.
De mallemolenbaas had zich niet misrekend. Den geheelen namiddag zat z’n werktuig vol met kinderen en moeders en zusters . . . . . men kan ze toch niet alleen in zoo’n “ding” toevertrouwen niet waar! – en ’s avonds met de rest.

Er was wat te doen in Kikkerdorp! Iedereen had den mond vol over “da ding”; velen, die ’t voor ’t eerst in hun leven zagen. Menig jongeling voelde z’n hart zwellen bij de eer, die Kikkerdorp werd aangedaan, en had ’t in z’n macht gestaan, hij had onmiddellijk den mallemolenbaas de maat laten nemen voor ’n standbeeld, want ’t lag aan h e m en aan niemand anders, dat zelfs de Rotterdamsche kermis, niet meer met dien van Kikkerdop kon wedijveren! Men vond ’t ’n onvergeefelijke schande, dat zoo’n gewichtige kermis niet eens in den Enkhuizer Almanak voorkwam, en ware ’t niet, dat deze ’n erkende autoriteit was op ’t gebied der weerprofetie, men zou direct naar van Leer zijn geloopen om hem te boodschappen, dat-i voortaan maar met den Enkhuizer – die hij z’n klanten kadeau deed, waarop hij weer twee kwartjes kadeau kreeg van z’n klanten – moest wegblijven.

Maar wie er ook trotsch was en schik had, de koekvrouwen bleven van dit alles gespeend. Daar in de Klosbaan stonden Mijntje en Kaat en Els en Mie en hare compagnones te schreeuwen uit al haar macht en . . . . . bijna zonder succes. Hoor Mijntje met ’n ongeëvenaard schelle stem: “Komaan keinder, die nou den mijne wil! Toe keinder, vat nou is en lotje; ’t is mar drie cente en kekt is aan wanne kok. Alla, keinder, ’t is den allerleste! Vuruit, verechtig waar, ik heb mar een lotje meer! Toe keinder, vat et nou is! ’t Is mar vur de gelukkige die ’t treft – zunne schoone kok ! Kom, vat er nou gin mins is en lotje?” Neen! of Mijntje al schreeuwde, of Mie en de anderen al riepen, ’t hielp niets; de ,,keinder” konden voor hun drie centen, drie maal ’n reis maken met den draaimolen en hieraan gaven ze voor dien dag de voorkeur boven de onzekere kansen op een koek. Ze schenen meer medetijden te hebben met hun kiezen dan met hun hersens.
,,Ik wo’ et ding duuzend voet diep in de grond zakte” – zuchtte Mie. De stumpert snapte niet dat zoo’n afgrond op ’n afstand van ’n twintig schreden ook voor haar met koektafel en al gevaarlijk zou worden. Voorzichtiger waren daarom de wenschen der anderen, die er zich toe bepaalden om ,,den schelen hoerelooper” te laten verrekken, barsten, ophangen en verbranden.
,,’t Is hum schuld!” – aldus luidde de konklusie – ,,As hij gin plek ha’ gegeven, dat was er nievers gin plek gewest en dan had-i met z’n akelik ding weg kunne blijve! Ik wo ’t verrotte.”
Maar al dat wenschen hielp niets; de mallemolenbaas draaide raak en z’n dochter, totaal verduisterd door ‘t groot orgel, draaide ook raak en ze draaiden ’n ortodoxe hoed vol centen uit de Kikkerdorpsche zakken in de groote kist achter ’t orgel — behoudens eenige stuivers die gestolen werden door de twee knechts.

’s Avonds kwam er nog wat anders kijken. .Oud en jong, alles sprong in ,,da ding”. Ieder kermisbezoeker was één stuk bewondering! Wat ’n verlichting! Er hingen meer hanglampen in het ding, dan er in heel Kikkerdorp waren, die hun licht lieten weerkaatsen in de paar lange smal!e spiegels en in de driehoekige, van de pseudo draperieën neerhangende stukjes glas – alias kristal. De draperieen zelf, die wanneer ze vóór de decoratie op ’n hoop liggen, met elkaar geen rijksdaalder waard zijn voor ’n lorrenkoopmans, schijnen thans als doorstikt met gouddraad en bezaaid met diamanten. ’t Is alles even kostelijk! De acht schermen die den houtwormigen spil aan ’t gezicht onttrekken en zoo geplaatst zijn dat ze vier halve kwadraten vormen, zijn beschilderd met de aanminnige gelaatstrekken van boemelende kermisklanten en sterk gedekolletteerde dames en alles met elkaar maakt zoo’n schitterend effect, dat men elkaar met ten toppunt gestegen verbazing afvraagt ,,hoe ’t in de waereld van God meugelik is, dat ze et zo gemakt krijge!” Al had men dien dag de hoogste piramide uit Egypte naar Kikkerdorp verplaatst, zij kon niet meer bekijks hebben gehad dan dien draaimolen.

Naarmate er meer jenever en likeur plaats nam in de ingewanden der kermishouders, werd ’t bezoek aan den draaimolen drukker en werden de bezoekers lastiger. Ze vroegen aan de orgeldraaiende dochter of ze geen andere ,,mopkes” kon spelen; ,,deuntjes, daar ze is op zinge kunne, zooas ’t W i e n s n e e r l a n s b l o e d of d e n o e v e r v a n ’n s n e l l e v l i e t of zo; al die walse en schotse, daar he’n we hier niks aan”.
Of nu het meisje al beweerde dat ze niet spelen kon wat ze wilde, daar er de stukjes te voren waren opgezet, mocht niet veel baten, want toen begon men op “da ding” te schelden en te verklaren dat ’t wel groot en mooi, maar geen cent waard was en dat de harrnonika van Sjanntje heel wat beter voldeed aan de eischen, die men in Kikkerdorp stelt aan ’n muziekinstrument.
Ten slotte zong men boven het orgel uit en begon men met de groote klompen aan te dansen of liever te springen in de schuitjes en sleden en op de ruggen van paarden, leeuwen en meerminnen, met ’t onvermijdelijk gevolg, dat velen der eersten bodemloos werden en dat de stomme dieren aan verzakking
in den ruggegraat gingen lijden. In ’t kort, de mallemolenbaas was blij dat-i de kast sluiten kon, want al had-i nog zelden in z’n leven op één dag meer geld ontvangen, nimmer had ook z’n boeltje zoo veel geleden en met de welgemeende verklaring, dat-i nog nooit zulk gek volk had gezien, nam-i ’t heilige voornemen om niet meer in Kikkerdorp te komen, tot groote vreugde der koekkraamsters, die nog weken daarna met onverkochte koeken in de maag of liever in de kisten zaten.

De kermis verliep als gewoon; d. i.: negen en negentig procent ging dronken naar huis. Zelfs de koekvrouwen en hare mannelijke helpers, hadden ten slotte troost gezocht in den drank om bedwelmd en wel nog eens uit te varen tegen den ellendeling, die aan zoo’n vreemden mallemolenvent plaatsruimte had verleend.
Maar weinig dachten zij er aan dat ’t den schijn zou hebben, als werden ditmaal hunne wenschen verhoord…
Toen de mallemolenbaas en z’n knechts den volgenden dag “het ding” afbraken, zat er geen boer meer op den steenen trap om naar hunne werkzaamheden te kijken. . . . Hendrik van Tuil was des nachts, toen alles joelde, in ’n beroerte gebleven.
Hendrik was heen gegaan, door niemand betreurd, dan door Sientje, die zich waarlijk met geheel haar hart aan hem had verbonden.

Toen ’t geval bekend was haastten zich de ambtenaar van den burgerlijken stand en de op suikerbieten in de hoogte drijvende diaken naar ’t sterfhuis om in de eerste plaats hun christenplicht te vervullen, bestaande in t onmiddellijk wegjagen der “hoer” met hare twee kinderen. Daarna werden de toebereidselen gemaakt tot de begrafenis, want hoewel men in Kikkerdorp gewoon was, om den afschuwelijksten stank te trotseeren en ’n lijk ongeveer ’n week boven den grond te houden, in dit geval vond men zooveel plechtigheid niet noodig en eer ’s Zaterdagsavonds de zon haar dagtaak had voleindigd deden de aardwormen hun souper aan ’t overschot van Hendrik van Tuil — waarbij ze zich, in ’t voorbijgaan, niet behoefden te bekrimpen. De begrafenis week ook zeer ver van de gewoonte af; want de dragers werden betaald en buiten de deur werden de mantels afgelegd en ontbond zich de stoet; ’n f e e s t m a a l werd er niet gehouden.
Natuurlijk dat de weduwe opkwam, ten eerste om haar vierjarig dochtertje uit de handen van den veldwachter op te eischen en vervolgens hare goederen in bezit te nemen. Dit laatste ging echter nog niet zoo heel spoedig, want er bestond ’n testament, waarbij beschikt was dat ’n kapitaal van vierduizend gulden voor Sientje zou bestemd zijn, met de bepaling dat zij enkel vruchtgebruikster zou heeten, en verder voor elk harer kinderen een even groot bedrag, waarvan zij de rente kon trekken tot aan de meerderjarigheid.
Twaalfduizend gulden had-i dus vermaakt aan zijn bijzit met hare kinderen – omdat de wet niet toestond om nog meer te vermaken – men vond ’t afschuwelijk in ’t vrome Kikkerdorp! Was-i in z’n leven al reeds gehaat, thans werd z’n naam door bijna iedereen met verachting genoemd. Er scheen geen modder genoeg in ’t modderige Kikkerdorp om de nagedachtenis te bemodderen van Hendrik van Tuil.

Ook wij zullen hem geen eerezuil stichten in ons hart, hetzij er verre van, maar wij begrijpen veel van z’n wandaden en kunnen dus veel vergeven.
Ontegenzeggelijk was ’t een fout, dat hij zich ophield met de dienstmeid zijns vaders in den tijd, dat-i verloofd was aan Betje van der Sluis; maar hij was gezond en had dus behoeften, die ’t “fa t s o e n” verbood te bevredigen met haar, die alleen in staat zou zijn geweest om hem gelukkig te maken.
’n Nog grooter fout was ‘t, dat-i z’n vrouw dwong om terug te komen, terwijl z’n verhouding tot Sientje ’t bewijs was, dat-i zich niet meer aan Annemie gebonden achtte.
Maar de grootste fout van alles was, dat hij ’t kind, waar-i zelf niets mee toonde op te hebben, liet losscheuren van ’t moederhart en dat hij zijn vrouws bezittingen opeischte om ze met hare verdringster te gaan opmaken.
Voorzeker, z’n fouten zijn velen, maar ’n woord van lof komt zijn nagedachtenis toe voor datgene, wat men ’t meest in hem laakte, namelijk dat hij voorzag in ’t onderhoud der jeugdige verleide en zijn zoogenaamd onwettige kinderen, ook zelfs na zijn dood.
En wie er rede moge hebben om te spuwen op z’n graf, zeer zeker niet de Kikkerdorpsche arbeiders, al deden zij het, want nimmer was er ’n boer in hun midden, die zich hun lot meer aantrok dan hij. Tot hem wendde niemand zich te vergeefsch.
Als er voor veel geld bij geen der andere boeren, die veel meer van hun vee houden dan van de menschen, bedstroo was te verkrijgen, kon men ’t bij hem, als-i ’t had, voor niemendal bekomen ; en menigeen die ‘s winters honger leed, stopte hij in stilte ’n gulden in de hand. Hij deed ’t altijd zoo, dat de linkerhand niet wist wat de rechter gedaan had; hij liep nooit met z’n liefdadigheid te koop; hij deed er niet aan, als onze echte filantropen, uit berekening, doch ’t kwam bij hem op uit waar medegevoel. Het zien van ’n slecht gekleed kind kostte hem ’n zware zucht; het was deze teergevoeligheid, die hem in tegenstelling met z’n collega’s, niet deed denken aan gebrek aan spaarzaamheid als oorzaak der ellende.
Hij vermoordde zich door den drank. Men kon hem in vele opzichten ’n verdierlijkt wezen noemen, en toch in zeer vele zaken stond hij oneindig veel hooger dan velen van hen, die hem met modder wierpen. En althans stond-i even hoog – of laag – dan den dominé, die men nog verafgoodde na z’n dood.