Berichten

Gedonder in de polder

“Aalst boven en Zuilichem onder” en andersom

In de tijd toen de wind watermolens in de verschillende dorpspolders nog volop in bedrijf waren, we denken dan globaal genomen aan de periode vóór de tweede wereldoorlog, hadden de watermolenaars in dienst bij die dorpspolders in de eerste plaats tot taak om het polderwater het gehele jaar door op een aanvaardbaar zomer- en winterpeil te houden.
Naast hun bestaan als watermolenaar hielden zij er echter wegens hun lage verdiensten vrijwel allemaal nog een min of meer sociale functie op na en wel die van kroegbaas, want of het nu de watermolens in de Bommelerwaard, de molens over de Waal in de Betuwe of over de Maas in Brabant betreft, op vrijwel alle watermolens kon men bij de molenaars terecht voor het kopen van sterke drank en het drinken van een borrel.
Een watermolenaar was eigenlijk iemand die het nuttige met het aangename kon doen verenigen. Zoals gezegd waren de verdiensten van een watermolenaar niet zo erg hoog. Zo genoot de watermolenaar Leen Daggelder op de in het jaar 1721
gebouwde poldermolen aan de Meidijk te Zuilichem in het jaar 1932 een jaarwedde van f.120. Daarbij had hij dan wel vrij wonen en het gras om de molen en langs de uitwateringsboezems. Dit alles werd door het polderbestuur van Zuilichem geschat op f 140, wat bij zijn jaarinkomen werd gerekend. Het gras gebruikte hij als voer voor zijn geiten.
Leen Daggelder op de Zuilichemse poldermolen, en de drie geslachten Daggelder vόόr hem die de molen bevolkten schonken dus een stevige borrel om hun verdiensten wat op te krikken. De vader van Leen Daggelder, watermolenaar Jan Daggelder stond bij de gemeente van Zuilichem op een lijst van lokaliteiten waar sterke drank geschonken werd. Op 1 mei 1881 was hij zelfs ingeschreven als kroeghouder en kroegbaas in plaats van watermolenaar.

In die tijd was het ook de gewoonte van de boeren dat, als zij de gehele morgen op het land hadden gewerkt en tegen de middag naar huis gingen om te eten, zij die langs de molen kwamen deze maar moeilijk konden passeren zonder eerst
even een neutje te nemen, want dan smaakte het eten zo lekker. Zij konden het ook betalen want deze boeren bezaten geld.
Ook ‘s avonds als het werk gedaan was kon men nog wel tijd vinden om in of bij de molen van de Daggelders nog wat bij te praten en te drinken met elkaar. In de zomer als er ’s avonds of ’s nachts zwaar onweer was geweest dan trokken de boeren als de bui voorbij was met de polsstok (in onze dorpen gewoonlijk de polderstok genoemd) over de schouder de polder in om te gaan kijken of hun vee niet getroffen was door de bliksem, of in de sloot terecht was gekomen.
De oude molenaar Leen Daggelder vertelde eens dat het dan soms wel gebeurde dat hij al kort na middernacht, in het holst van de nacht uit zijn bed werd gehaald omdat er iemand voor de deur stond die zichzelf wilde trakteren. Zeker als de dieren het overleefd hadden, kon er best wel eentje af.

Een molen waar ook stevig werd gedronken en waar altijd veel mensen uit de naburige dorpen bijeen kwamen was de Delwijnense watermolen, in onze vier Heerlijkheden beter bekend onder de naam ‘den Delwse meule’. Iedereen kent deze stompe watermolen ten zuiden van de van Heemstraweg even voorbij het dorp Zuilichem. De achtkantige watermolen werd gebouwd in het jaar 1740 met als doel de waterhuishouding in het Delwijnense veld in goede banen te leiden. Hoewel eigenlijk net buiten de geografische grens van de vier Heerlijkheden gelegen speelde deze molen een belangrijke rol bij de navolgende gebeurtenis die zich in de molen afspeelde en waarbij nog al wat inwoners van Aalst en Zuilichem betrokken waren. Uit dit voorval kan men tevens opmaken dat er soms nog wel eens rare dingen gebeurden tijdens het drinken van sterke drank in de watermolens.

Zondagmiddag 23 december, net voor kerst van het jaar 1804 had een aantal mensen uit Aalst en Zuilichem de weg door de winterse polders weten te vinden met het voornemen om in de Delwijnense molen bij de watermolenaar Cornelis Vroom en zijn vrouw Anna Biesheuvel de middag door te brengen met plezier maken en het nodige aan sterke drank in te nemen. Ongeveer tussen 5 en 6 uur in de namiddag waren daar toen aanwezig uit Aalst de personen Cornelis en Egbert Klop, beide zonen van Egbert Klop, Cornelis en Dirk van Ballegoijen, Hendrikus Koolhaas, Jan Schaap, Otto en Dirk voor de Wind en Johannes Bakker. Uit Zuilichem waren vertegenwoordigd Jacob en Gijs Hak, Egbert Klop, de zoon van den heemraad Klop, Gijs Gijsbertse van Wijnen, Ariën van Honk (die knecht was bij Mattijs Castelein) en Gijsbert Donker, knecht bij den schout van Zuilichem.

Waarschijnlijk had men elkaar onder het drinken van de nodige drank al een tijdje in een ruzieachtige sfeer zitten jennen want plotseling werd door Cornelis Klop uit Aalst door het molenvertrek geroepen: “Aalst boven en Zuilichem onder!”. Het antwoord liet niet lang op zich wachten en werd bijna onmiddellijk gevolgd door de tegengestelde kreet van de Zuilichemmers: “Zuilichem boven en Aalst onder!”. U begrijpt wel dat de rapen toen goed gaar waren in de Delwijnense watermolen.
Er ontstond tumult en een hooglopende ruzie. Cornelis van Ballegoijen greep een stoel waarmee hij ging zwaaien en onder het uiten van allerlei dreigementen begon hij te roepen: “Alle vreemden moeten er uit!”, waarmee de Zuilichemmers bedoeld werden. Cornelis Klop en Jacob Hak begonnen ook met elkaar te vechten, maar werden weer van elkaar gescheiden door Gijs van Wijnen en Johannes Bakker. Cornelis Klop riep hierop tegen Jacob Hak: “Kom maar eens mee naar
buiten!”. Jakob ging daar niet op in en wilde in de molen blijven, maar Egbert Klop en Cornelis van Ballegoijen hebben Jacob Hak onder het roepen van “Hij zal er uit”, met geweld naar buiten gesleurd, waar hij, amper buiten zijnde, van Cornelis Klop met een blank mes een snede in het aangezicht kreeg, waarbij Cornelis van Ballegoijen bovendien nog Cornelis Klop toeriep: “Opletten! Dan zal ík hem ook nog een snede door zijn bast geven”. Jacob Hak werd tegen de grond gesmeten en Gijs van Wijnen verklaarde later op de rechtszitting onder ede dat hij had gezien dat Jacob Hak met messen werd bewerkt.
Gijs van Wijnen en Johannes Bakker, die zich blijkbaar verplicht voelden om op te treden als een soort vrederechters, hadden Jacob Hak tenslotte weer enigszins op de been geholpen. Ondertussen had Hendrikus Koolhaas hooglopende ruzie gekregen met Gijs Hak en deze tegen het scheprad van de molen gedrukt, hem het mes op de borst gezet en gedreigd met de woorden: “Ik zal je snijden dat ge ‘donders’ wordt. Ook Ariën van Honk bracht het er niet goed van af want hij kreeg met een molenhaak een slag op zijn hoofd en werd daarbij door Egbert Klop uit Aalst, volgens getuigen, nog verschillende malen bewerkt met een mes.

Op 13 maart van het jaar 1805 werden Gijsbert van Wijnen, Gijs Hak, Ariën van Honk en Gijsbert Donker uit Zuilichem, alsmede Dirk voor de Wind en Johannes Bakker uit Aalst opgeroepen om voor de Bommelerwaardse rechter Jacob de Virieu in deze zaak te getuigen. Op de rechtszitting verklaarden zij wel alles gehoord, maar niet alles gezien te hebben wat er was voorgevallen tijdens de vechtpartijen, wat wel verklaarbaar is want de Delwijnense watermolen zal in die tijd wel niet gebaad hebben in een zee van licht. Binnen zal zich alles waarschijnlijk afgespeeld hebben bij een olielamp of wellicht bij kaarslicht.  Buiten was het aardedonker in deze tijd van het jaar.

Na de rechtszitting wordt in het oud rechterlijk archief van de bank van Zuilichem verder met geen woord meer gerept over de ruzie in de molen tussen de Aalstersen en de Zuilichemmers. Wel kunnen we hieruit de conclusie trekken dat zich op de watermolens in vroeger dagen best heel wat heeft afgespeeld. Zeker als mensen uit verschillende naburige dorpen elkaar troffen kon het er nog wel eens goed uit de hand lopen, wat blijkt uit het voorval bij de watermolenaar Cornelis Vroom en zijn vrouw Anna Biesheuvel in de Delwijnense watermolen in het jaar 1804.

Bron
Streekarchief Zaltbommel. ORA Zuilichem, arch. 186/62 minuten dingsignaat.

Bron

Bovenstaand verhaal is met toestemming overgenomen uit het Periodiek “Vier Heerlijkheden, jaargang 2, uitgave 2, 2004 van de Historische Werkgroep Stichting de Vier Heerlijkheden te Brakel.

Wie waren Cornelis en Egbert Klop?

Mogelijk betreft het hier de broers Cornelis en Egbert Klop uit Aalst, zoons van Egbert Klop (16) en Petronella Koolhaas (17) en broers van Adrianus Klop (8).  De andere Egbert, uit Zuilichem en zoon van de heemraad moet dan de zoon zijn van Egbert Cornelis Klop en Coradina van Heeckeren. Later is deze getrouwd met Helena Jenne Pietersz en werd later uitbater van “De Gouden Leeuw”.

Ook interessant

Echbert Klop (2)

1722. Echbert Klop, hooghdyck heemraet borgemeester en president schepen der heerleykheyt Aelst.

1722. Echbert Klop, hooghdyck heemraet borgemeester en president schepen der heerleykheyt Aelst.

Beeld in de kerk

De meeste Aalsternaren zullen het beeldje van Egbert Klop in de kerk van Aalst wel kennen, maar wie was hij eigenlijk? Geboren in Aalst, als zoon van Cornelis Clop en als kleinzoon van Jan Clop en Hester Egbertsdr., heeft hij posten bekleed als Heemraad in de Hoge Schouw van de Bommelerwaard, kerkmeester van Aalst, borgemeester, schepen en was in 1729 schout van Aalst.
Egbert Clop (of Klop) was een berucht en beroemd man in Aalst. Overal was hij bij betrokken. In rechtszaken kwam hij aan de orde als eiser, gedaagde of als getuige. Ook in meningsgeschillen over wel of niet betaalde rekeningen vindt men hem nogal eens terug. Zo loopt er op 4 september 1721 een rechtszaak waarin o. a. voorkomt dat Egbert Clop 15 “canonpeerden” koopt van Adriaan Molenpas waarbij over de betaling nogal wat is te doen.

Bastaarddochter

Hij had ook nog een “bastaarddochter” genaamd Johanna – geboren op 18 oktober 1700 – verwekt bij Mayken voor de Wint, de dochter van Hendrick Wouters voor de Wint. Met alle mogelijke voorwendsels wil hij van de affaire afkomen door diverse rechtszaken te voeren en getuigen op te roepen die de eer van Mayken onderuit kunnen halen. Zo verklaart Gijsbert Wouters van Eeuwijk op 13 januari 1701 het volgende: “..menichmael heeft vleijselijck geconverseert en sijne wille gedaen met voorseide Mayken voor de Wint, en onder anderen meer noch in ’t jaer 1699….”
Arien van Balgoijenverklaart op die zelfde dag: “… niet met haer, te weten Mayken voor de Wint, heeft gedaen, maar aen de geut staende wel haer vrouwelijckheijt heeft gevat en dat sij het weijgerden, en den moeder op de aenganck comende hij Balgoijen terugh tradt…”.
Over zijn tweede vrouw, Dina van Eeuwijk was hij voogd, toen zij in 1725 nog “onmondig” was. Toen hij met haar trouwde in 1728 was zij dus veel jonger dan hijzelf.

Huwelijken

Egbert Clop trouwt in 1703 met Christina van Hausselt die in Driel (Kerkdriel) is gedoopt op 3 mei 1685. Zij was een dochter van de schepen van Driel, Rogier van Hausselt en Christina Petersdr. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren, Christina, Hester en Cornelis. Deze Cornelis Klop, getrouwd met Jenneke Beijnen, had weer een zoon, geboren omstreeks 1740, die de naam Egbert Cornelis kreeg.
Deze trouwt in 1770 met Coradina van Heeckeren en gaat in Zuilichem wonen. Van hem stamt het Zuilichemse geslacht Klop af. Mannelijke nazaten zijn vandaag de dag in Zuilichem niet meer te vinden maar de naam Egbert Cornelis (en Egberdina Cornelia) is doorgegeven en komt nog steeds voor, zij het in families die verwant zijn aan de familie Klop, zoals Verhoeks, Schriever, Hooijkaas en van Loopik.

In 1728 trouwt Egbert Klop – Christina is dan overleden – met Dina van Ewijk, overleden in 1768. Uit dit huwelijk worden vier kinderen geboren, Jenneke, Egbert, Johanna en Dina. Uit de zoon Egbert Klop, geboren omstreeks 1733 en voor de 1e keer getrouwd met Huibertje van Tongerloo, die in 1759 is overleden, is omstreeks 1757 Hendrik geboren. Van deze Hendrik Klop, getrouwd met Maria Grandia, stamt het Brakelse geslacht Klop af. In Brakel wonen nog veel nazaten en komt de naam Klop nog erg vaak voor. Andere nakomelingen van Egbert Klop (Sr) blijven nog generaties lang in Aalst wonen maar nu woont er nog een enkeling die de naam Klop draagt.

Egbert Klop (Sr) is overleden vóór 24 juni 1746.

Echbert in Kikkerdorp en de kikkerdorpers

De Aalsternaar Adrianus van Emmenes schrijft in zijn boek: “Kikkerdorp en de Kikkerdorpers” uit 1894 over Egbert Klop het volgende:

… Beroemdheden – monumentale gebouwen, standbeelden enz. – houdt Kikkerdorp (Aalst!) er niet op na, ten zij de twee watermachinen in 18 55 gebouwd voor ’t eerste en ’n buste van zekere Egbert Klop, oud-schepen enz., sedert eenige jaren wonderlijk opgetakeld door z’n lippen te meniën en z’n pruik te bronzen, staande in ’n kastje achter een deurtje in de kerk, voor’t tweede kan doorgaan.
’n Legende dat deze Egbert Klop door ’t sterrenbosch reed, door roovers overvallen werd, z’n valies uitschudde op den grond en de roovers neerschoot, en wordt als ’n heldendaad geroemd. Schooner is evenwel de tweede, insgelijks algemeen
bekende sage, en wel dat op zekeren avond ’n bedelares hem onderdak verzocht, dat hij haar herbergde in de schuur, dat ze ’s morgens bevallen was, dat hij haar daarop drie weken in z’n huis hield en haar aan niets gebrek liet lijden, en dat deze edelmoedigheid – een edelmoedigheid die men al licht zelfs aan ’n hond zou betoonen – hem naderhand het leven redde, toen hij uit Frankrijk komende in Rophen werd overvallen door ’n bende, waartoe dezelfde vrouw behoorde, die hem terstond herkende en door wier tusschenkomst hij een vrij geleide kreeg tot aan z’n huis…”

Leden van de familie Klop hebben door de jaren heen hoge posten bekleed in de Bommelerwaard zoals schout, heemraad, burgemeester, dijkgraaf e.d. In vroeger tijd waren zij zeer vermogend. In Aalst, Delwijnen en Zuilichem bezaten zij veel land en goederen.
Vaak werd er gehuwd met personen uit andere families die er financieel ook goed bij zaten en belangrijke posten bekleedden. Later werd hier minder naar gekeken en het vermogen in de familie werd mede door vererving steeds kleiner.

Noot
Er is ook een geslacht Klop dat zijn oorsprong vindt in Hardinxveld-Giessendam en waarvan ook nakomelingen in Haaften en Zaltbommel zijn terecht gekomen. Deze familie is, voor zover mij bekend, niet verwant met de van oorsprong Aalsterse familie Klop.

Bronnen
Streekarchief Bommelerwaard. Oud Rechtelijk Archief Zuilichem. Arch. 186. DTB’s van Aalst, Driel en Zuilichem. BS Aalst, Brakel, Poederoijen en Zuilichem. Kikkerdorp en de Kikkerdorpers. Geldersche Historische Novelle, bewerkt in de Strafgevangenis te Nieuwer-Amstel, door A. van Emmenes. Amsterdam, De Roode Bibliotheek, 1894. blz. 11.

Bron

Bovenstaand verhaal is met toestemming overgenomen uit het Periodiek “Vier Heerlijkheden, jaargang 2, uitgave 1, 2004 van de Historische Werkgroep Stichting de Vier Heerlijkheden te Brakel.

Echbert Klop

De theorie van Jan Arie Klop

(296) 1722. Echbert Klop, hooghdyck heemraet

(296) 1722. Echbert Klop, hooghdyck heemraet

Eén van de voorouders van Cornelis Johannes Klop is Echbert Klop. Egbert Klop was van 1718 tot 1742 een vooraanstaand man in Aalst en de Bommelerwaard. Niet alleen was hij Heemraad in de Hoge Schouw van de Bommelerwaard, ook was hij gedurende lange tijd president-schepen en schout van Aalst.
Dat Egbert een man van aanzien in zijn tijd en regio moet zijn geweest blijkt ook uit het feit dat in de Hervormde Kerk van Aalst een kastje hangt met daarin zijn stenen borstbeeld.

Lange tijd is gedacht dat Egbert Clop de zoon was van Jan Egbertsz Clop, paardenkoopman, en Hester Egbertsdr. Ook op huiberts.info werd deze theorie gevolgd totdat Jan Arie Klop met een geheel andere theorie kwam die stelde dat Egbert Clop niet de zoon kon zijn van Jan Egbertsz Clop en Hester Egbertsdr.

In het Dingsignaat van de Bank van Zuilichem nummer 16 en 17 komt de heemraad, burgemeester en later schout Egbert Clop herhaaldelijk voor. Hij treedt veelal op namens Aelst, maar ook vaak privé en heeft nogal wat geprocedeerd.
Jan Arie Klop vond hem 30-08-1718, 23-05-1719, 17-02-1720. Op 10-04-1726 procedeert hij met ene Adriaen Mol(…) over de boedel van zijn halfzuster Lijsbeth van Rijswijk. In 1730 wordt hij gehoord bij verhoor van de dienstbode van zijn vrouw Dina van Ewijck.

Als Lijsbeth van Rijswijk de halfzuster is van Egbert Clop dan kan hij dus niet de zoon zijn van Jan Egbertsz Clop en Hester Egbertsdr. Egbert Clop is in dat geval de zoon van Cornelis Jansz. Klop en Jenneke Cornelis van Celle (van Bel).

De theorie wordt nog eens versterkt door het gegeven dat Egbert Clop zijn oudste zoon Cornelis (* ca. 1710) noemt en een dochter Jenneke.

Trouwen in goede stand

De theorie van Jan Arie Klop vond ik om nog een andere reden heel aannemelijk. Hoewel niet onmogelijk heeft het mij altijd verbaasd dat de zoon van een paardenkoopman zich zo kon opwerken in de plaatselijke gemeenschap dat hij voor lange tijd vooraanstaande functies bekleedde.

Als Jenneke Cornelis van Celle (van Bel) de moeder is van Egbert Clop, dan zijn er in ieder geval relaties te leggen met de families Van Rijswijk, Coolhaas en Spiering (en/of Spieringh van Well). Dat zijn de betere families in het land van Heusden en Altena. Bovendien is zijn eerste huwelijk met Christina van Hausselt uit Driel een huwelijk in een goede stand. Zijn schoonvader is Rogier van Hausselt, schout en schepen te Driel. Ook zijn tweede huwelijk met Dina van Ewijk is in goede stand. Zijn schoonvader is Geijsbert Wouterszn. van Ewijk, schout van Aalst.
Ook de nakomelingen van Egbert Clop trouwen in goede stand. Zijn zoon Cornelis Klop, schout van Aalst en Heemraad, trouwt met Jenneke Beijnen, waarvan de vader Jan Janszn. Beijnen uit Brakel, dijkheemraad is . Zijn kleinzoon Egbert trouwt Coenradina van Heeckeren, dochter van Gerardus van Heeckeren en Geertuida Niclara van Genderen en wordt in het kerkelijk register van Zuilichem steeds aangeduid met de titel ‘de Heer’ Egbert Klop.

Met dank aan Jan Arie Klop

Kloppen in de Franse tijd

Van Francois en Francina

De in het licht van de historie voor de hand liggende conclusie dat iemand die in 1798 zijn zoon Egbert Francois en zijn dochter in 1800 Francina Frederika noemt, ongetwijfeld enige sympatie heeft voor de uit Frankrijk overgewaaide ideeën, hier te lande aan het eind der 18e eeuw in stand gehouden door de patriotten, is te voorbarig. De waarheid blijkt geheel anders:

Cornelis Johannes Klop, geboren te Zuilichem op 31-07-1773, als zoon van Egbert Klop en Coenradina van Heeckeren, was militair met als uiteindelijke rang luitenant.
In de Nederduits Gereformeerd ) Hervormde Kerk van Poederoijen staat van 1795 tot 1797 de predikant Petrus (Pieter) Lietaart. Zijn zuster is Petronella Lietaart, die haar broer vanuit Nieuwkoop komt opzoeken in december van het jaar 1795. Zij maakt kennis met de 22 jarige militair Cornelis Johannes Klop. Dat loopt uit op een kindje (Dianabet genoemd) dat geboren wordt op 27-08-1796. Op 8 december 1796 trouwt onze jonge militair met de zuster van de dominee. En na negen maanden (weer op 27 augustus, nu van het jaar 1797) komt er weer een dochter, Carolina Elisabeth, genoemd naar de moeder van de bruid.

De vader van Petronella Lietaart heette Francois Lietaart, haar zussen heetten Anna Francina en Carolina Francina en haar broer heette ook Francois. Logisch dat er dan een kind vernoemd wordt naar Francois of Francina.

Het verhaal is nog niet af. Mijn grootvader Jan Arie Klop (geb. 1879) verteld het verhaal, dat een officier Klop toen Nederlandse jongens gedwongen in Napoleontische dienst moesten, zich lange tijd heeft verborgen in de grienden langs de Meidijk, tussen Poederoijen en Zuilichem.

Ingezonden bijdrage door Jan Arie Klop (geboren 1948)

Tweede Weteringdwarsstraat 68

Jeugdherinneringen en familiebelevenissen

Begin maart 2007 is er een nieuw boek verschenen over een deel van de nakomelingen van stamvader Jan Clop. Het boek, geschreven door Pieter Klop, gaat over jeugdherinneringen en familiebelevenissen die zich hebben afgespeeld in en rond het huis van zijn grootouders in de Tweede Weteringdwarsstraat te Amsterdam.

Het heeft betrekking op de nakomelingen van Jan Clop volgens de afstammingslijn:

1. Jan Clop
> 2. Cornelis Jansz Klop
> 3. Egbert Clop (1677-1746)
> 4. Cornelis Johannes Klop (1710-1777)
> 5. Egbert Cornelis (1740-1797)
> 6. Rogier Willem (1789-1852)
> 7. Egbert Cornelis (1819-1875)
> 8. Willem Rogier (1851-1902)
> 9. Adriaan Klop (1882-1959).

Ter vergelijking: Cornelis Johannes Klop is ook een afstammeling van Jan Clop. Eén van zijn voorouders is Egbert Klop, halfbroer van de bij 4. genoemde naamgenoot Cornelis Johannes Klop (1710-1777).

Het boek is verschenen in een beperkte oplage en inmiddels uitverkocht. Mocht u desondanks geïnteresseerd zijn stuurt u dan een e-mail aan Pieter Klop.

Meer informatie

Het boek werd als volgt door door Pieter Klop gepresenteerd:

Tweede Weteringdwarsstraat 68 Amsterdam
een collage over de familie Klop in de eerste helft van de twintigste eeuw

In 2005 bedacht ik (Pieter Klop) dat het wel aardig zou zijn om op basis van interviews wat familiebelevenissen vast te leggen die zich hebben afgespeeld in en om het huis van mijn grootouders (Klop). Aan dat huis bewaar ik ook nog goede herinneringen, die dateren uit de jaren vijftig (zucht!).
Van het een kwam het ander. Ik kon met behulp van afstammingsgegevens, die ik vond op internet, ook de gegevens voor onze tak van de familie completeren. De vroegst bekende Klop is dan een zeventiende-eeuwer en inmiddels zijn we dertien generaties verder.
Het resultaat is een boek van 180 pagina’s met 100 foto’s. Een blik op de inhoudsopgave geeft een indruk van wat u kunt verwachten:

– Klop-Pieksma (Kloppen, Pieksma’s, vader en moeder Klop)
– Vrijerspad
– Psalmen en pret (Kerkgang, opgewekte klanken, buitenpret)
– Oorlogsperikelen (Wol, stroom en kristalontvangers, hongertochten)
– Leren en werken
– Stemmen uit het verleden (Bijnamen; familietaal; jiddisch)
– Buurt en buurtgenoten
– Huizen (Zeeburgerdijk, Plantage Doklaan, Tweede Weteringdwarsstraat)
– Flarden (Curaçao, gouden bruiloft, (volks)wagens, De Groene Kalebas)
– Bewoning nr. 68 door Adriaan en Geert
– Afstammingsoverzicht

De brief aan mijn grootvader

00357_KVan Aalst en Japan

Op 18 juli 1932 stuurde G. Haasakker uit Aalst een brief aan mijn grootvader C.J. Klop, destijds wonende te Eindhoven.

Met grote verbazing heb ik de brief gelezen en bij elke bladzijde riep de brief meer en meer vragen op. Niet vreemd als in een brief uit 1932 Wilhelmina, de Mikadoi van Japan, de Heilige Geest, het Britsche Luipaard, Maria en de Nederlandsche Leeuw langs komt.

De tekst van de brief

De brief bestaat uit vier bladzijden. Het is niet helemaal duidelijk wat de volgorde is van de bladzijden. De eerste bladzijde begint met de aanhef en op de achterzijde hiervan eindigt de schrijver met zijn naam waaronder een PS staat. Hij lijkt erop dat de volgende bladzijden een lang PS is. Toch is het mogelijk dat de volgorde van de bladzijden 2, 3 en 4 anders is dan hieronder staat. De bladzijden zijn op het origineel helaas niet genummerd.

Een poging tot uitleg

Dankzij de hulp van Jan van Loopik weet ik inmiddels al iets meer over de achtergrond van de brief en de personen die in de brief genoemd worden.

Rond 1932 waren in de Bommelerwaard veel mensen zeer orthodox christelijk. Ook in Aalst waren zgn. ‘Gezelschappen’, groepjes personen die thuis in een klein verband kerkdiensten en bijbellezingen hielden.
Zij voelden zich niet meer thuis in de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. De meesten van deze mensen zijn later in de Gereformeerde Gemeenten terecht gekomen.

P.J. van Os was ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Aalst van 1922 tot 1936.
In het boekje ‘Herdenk die Wonderdaan’ van Arie Vervoorn en uitgegeven in 1999 door de Gereformeerde Gemeenten Aalst, Brakel en Poederoijen staat: “Van oudere leden van de gemeente vernamen wij dat voordat de Gereformeerde Gemeente van Aalst geïnstitueerd was vergaderd werd in de woning van P.J. van Os aan de Maasdijk waar een preek werd gelezen”.

H. Bauman is Hendrik Bauman , overleden op 29 oktober 1932 op 73 jarige leeftijd. Hij was ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Aalst van 1922 tot 1932.

De ‘twee Schalken uit Zuilichem’ zijn waarschijnlijk Johannes Schalk en Govert Schalk. Johannes Schalk is overleden op 3 juli 1957 op 89 jarige leeftijd. Hij was diaken in de Gereformeerde Gemeente van Aalst van 1928 tot 1938. Govert Schalk was ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Aalst van 1930 tot 1958.

De Gereformeerde Gemeente van Aalst is in 1922 opgericht en het eerste kerkgebouw is op 30 augustus 1922 ingewijd door ds. G.H. Kersten (“Kerstianisme”).

De tekst van pagina 1

00358_KAalst 18 Juli 1932
Waarde Vriend,
Wat de heer Dobben graag wil weten waarom PJ van Os uit de Geref Kerk is gegaan, en wat de Kerstianen voor hebben, en was Staatkundig Geref en Gereformeerde is, is zeer gemakkelijk. Ik zat Woensdagavond 13 Juli bij H. Bauman waar PJ van Os en twee Schalken uit Zuilichem ook kwamen. PJ van Os vertelde daar dat er in sHertogenbosch een bulletin aangeplakt was dat de Koning van België was gaan vluchten. Hij vertelde ook dat HKH Prinses Juliana geen Koningin van Nederland zal worden. Zijn dat geen twee Schalkenstreken van PJ van Os, waaruit het Kerstianisme duidelijk blijkt!
Nu wordt ik beschuldigt van idèefixe, dit wil zeggen: bijblijvens dwaalbegrip en zielskranken.
Het idèefixe van PJ van Os is nog een graadje erger dunkt mij. PJ van Os spreekt het duidelijk uit dat hij Chiliast is, of aanhanger van het duizendjarig rijk.
Bij gevolg stelt hij voor dat HM de Koningin het hoofd van het duizendjarig rijk is. Daardoor is het niet mogelijk dat HKH Prinses Juliana Koningin van Nederland kan worden. Nu ligt de worteloorzaak van het Chiliasme in Openbaringen 20 vers 2 en 3. Wat Johannes door de Heilige Geest geinspireerd hier tot troost der strijdende Kerk op aarde heeft geschreven wordt door de Chiliasten letterlijk opgevat, die stellen zich een duizendjarig vrederijk op aarde voor.
Dat is het grootste dwaalbegrip dat maar denkbaar is.

De tekst van pagina 2

00359_KHoe is het nu mogelijk om examen af te leggen als Advocaat? Door den Britschen Luipaard die thans in Nederland lakenuitdeeler is, te Scheveningen de Noordzee in te drijven. C. Klop zal wel begrijpen dat dit beeldspraak is. Den Hollandsche leeuw die thans in sluimerslaap is gezonken moet wakker geschud worden.
Dat kan op Militair gebied het beste gebeuren. Het stelsel van den Hollandsche waterlinie is uitgediend. In dat stelsel worden Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noordbraband en Limburg, bij een komende oorlog direct aan den vijand prijsgegeven. De levensmiddelen van die genoemde provincien vallen zoo in ’s vijands handen. Hierdoor is Nederland feitelijk gelijk aan een stad zonder muren en poorten.
China als het land van den Draak bouwde eene muur om zijn ontzaggelijk groot rijk. Nu wordt Nederland het China van Europa genoemd. Thans heerscht over Nederland het ongeloof of den Jood. Het Communisme en Socialisme heeft zijn kopstukken in de Joden.
Zoo als er een Babylonische spraakverwarring is op het Kerkelijk terrein van Nederland zoo ook op Overheidsterrein. Wie zondt voor eenige jaren HM de Koningin in een onderzeër naar den afgrond der zee? Wie zondt op 18 Juni 1932 ZKH Prins Hendrik het luchtruim in. Dat zijn beslist wel twee Oorlogsschalken. Hoe zijn die in hun eigen net te vangen is de vraag?

De tekst van pagina 3

00360_KDaarvoor is de stof in Aalst aanwezig. En wel in de vrouwen der Amsterdamsche bierkaai die in het Centraal Israëlitisch krakzinnigen gesticht het Apeldoornsche Bosch te Apeldoorn in pension zijn, die 48 hectaren grond in den polder Aalst bezitten. Om den Amsterdamsche handel in blanke slavinnen van ’t edele Joodsche ras door de drukpers aan de volkeren van Amerika en het vasteland van Europa bekend te maken, geeft den eersten knaauw aan den Britschen Luipaard.
Dat de heer C Philip te Zaltbommel de Zevensnarige Jodinnenfluit in den polder Aalst bespeeld, is om dat 48 hectaren 7 stemmen geven, zal het Nederlandsche volk door de drukpers bekend gemaakt worden, dan krijgt den Britschen Luipaard zijn laatste knaauw. Wat zal er dan van de Hoer in Openbaringen 18 beschreeven worden denk C Klop?
Zeer zeker staat den Engel uit Openbaringen 20 met den keten in de hand klaar om den Draak te binden. Alle ongure elementen in het kader van het Nederlandsche leger zullen er dan uit verwijderd worden. Daar zullen de Legerpredikanten en de Aalmoezeniers gemak van hebben bij hun werkzaamheden.
Door middel der twee Banieren van Aalst, de gemeente Aalst voert de Drie gekroonde leeuwenkoppen, en den polder Aalst de Banier de Zwaan, is er beeldsprakig mede te werken. De proletariers van Aalst lopen achter de drie gekroonde leeuwenkoppen aan, de grondeigenaren van den polder Aalst achter de Banier de Zwaan. Zoekt dat maar eens uit.

De tekst van pagina 4

00361_KWat Psalm 90 vers 4 zegt: Want duizend jaar zijn in uwe oogen, als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als eene nachtwake. Nu is er niets zekerder als de wederkomst van Christus, niets is onzekerder wanneer. Wat is nu de oorzaak dat de Mikadoi van Japan reeds meer dan 24 eeuwen in de mannelijke linie op den troon van Japan zijn gezeten, en dat het mannelijk geslacht der Oranjes op 23 November 1890 met Koning Willem III is uitgestorven? Is dat een triump van het Heidendom over het Christendom te noemen?
Wie in 1 Koningen 8 het gebed van Salomo bij de inwijding der Tempels leest, kan iets begrijpen van het bidden van den hemelsche Salomo voor het aangezicht zijns hemelsche Vader. Hierbij komt ook nog het werk der Heilige Geestes reeds bijna 1900 jaren in de Nieuw Testamenstische Kerk.
Wie nu den rotten toestand op Kerkelijk en op Overheidsterrein ziet moet onwillekeurig zeggen: den oogst der aarde is rijp om te maaien. Nu gelijkt HM de Koningin meer op een verolmd afgodisch beeld, als op een ten hemel gevarenen, even als op 15n Augustus de hemelvaart van Maria gevierd wordt. Door deze woorden veracht ik HM de Koningin volstrekt niet. Kunt ge niet begrijpen dat de Gereformeerde leer zoo scherp is als een mes? De zonden van HM de Koningin zijn zoowel te bestraffen als van een bedelaar. Over de onmacht van HM de Koningin en over de onwil is ook genoeg te zeggen. Ge kunt nu zelven het verschil uitmaken wat PJ van Os is, èn op het Kerkelijk èn op het Overheidsterrein.
Het adres van L. Haasakker is Zoutmanstraat 2 D te ’s Gravenhage. Groetend uw vriend G. Haasakker.

PS Het Nederlandsche beeld vindt men in Hooglied 8 vers 1, 2 en 3.

 

Geografische spreiding familienaam Klop

De volkstelling van 1947

Tijdens de volkstelling van 1947 kwam de achternaam Klop 1638 keer voor in Nederland. De verdeling over de provincies was als volgt:

009 Groningen
000 Friesland
004 Drenthe
027 Overijssel
333 Gelderland
042 Utrecht
068 Amsterdam
072 Noord Holland
123 Den Haag
281 Rotterdam
512 Zuid-Holland
017 Zeeland
143 Noord-Brabant
007 Limburg

Geografische spreiding 1993

geografie_1993_klop_680geografie_2007_klopHet overzicht van 1993 is gebaseerd op een bestand van telefoonabonnees.

De familienaam Klop

Beroepsnaam of adresnaam

De familienaam Klop is waarschijnlijk een metonymische beroepsnaam. De naam is dan afgeleid van een product, materiaal of handeling die met een bepaald beroep te maken heeft. Klop verwijst waarschijnlijk naar een handeling. Mogelijk is Klop een verwijzing naar het beroep van timmerman.

Hoewel onwaarschijnlijker zou het ook kunnen zijn dat Klop weer een verkorting is van de naam Kloprogge. Een woord dat uit het nederduits komt en “(ich) klopfe den Roggen” betekent: bijnaam voor een dorser of een vechtjas.