Willem van Barneveld
Willem van Barneveld was de zoon van een Hattems koopman, Johannes van Barneveld. Hij was gedoopt op 21 jan 1747 en overleed op 23 juni 1826. Hij was burgemeester van Hattem van december 1819 tot zijn dood. Toen hij de verantwoordelijkheid op zich nam voor naar Hattem uitbestede weeskinderen, was hij 64 jaar. Hij was 15 jaar ouder dan zijn meer bekende stadgenoot Willem Daendels. Van Barneveld ging rond zijn twintigste jaar naar Amsterdam om voor apotheker te studeren. Op 3 mei 1770 legde hij met succes het apothekersexamen af en op 6 juli 1770 trad hij in het huwelijk met Walburg Funderik, de dochter van een "destillateur". Zijn schoonvader was getuige toen van Barneveld op 28 augustus 1770 poorter van de stad Amsterdam werd. Hij vestigde zich als apotheker op 1 augustus 1771. Gedurende de patriotten-beweging in Hattem van 1783-86, geleid door Daendels, woonde van Barneveld dus in Amsterdam.
Van Barneveld was een zeer actief wetenschappelijk onderzoeker. Ongeveer gelijktijdig met Jan Ingen-Housz formuleerde hij rond 1778 het principe van de fotosynthese. Planten waren volgens hem in staat met behulp van zonlicht "bedorven lucht" te verversen. In een antwoord op een prijsvraag, uitgeschreven door het "Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen" kwam hij met de aanbeveling om de kwaliteit van stadslucht te verbeteren door bomen aan te planten. De ruim aangelegde Maliebaan met een aantal rijen bomen was het resultaat van dit advies.
Toen Lavoisier een paar jaar later de grondslag legde voor de moderne scheikunde en het duidelijk werd dat het zuurstof was dat door fotosynthese gevormd werd, was van Barneveld één van de eersten die voor geleerde genootschappen in Amsterdam het werk van Lavoisier uitlegde.
Een andere tak van wetenschap die van Barneveld tot ontwikkeling bracht was de "geneeskundige electriciteit". Men had het idee dat een behandeling met statische elektriciteit bij veel ziektes genezing kon bevorderen. Een boek over het onderwerp, geschreven door van Barneveld, genoot internationale bekendheid in het einde van de achttiende eeuw. Het werd in het Duits vertaald en was één van de eerste Westerse boeken, die in het Japans vertaald werden. Na 1800, toen electriciteit beter begrepen begon te worden, raakte van Barneveld's werk meer en meer in het vergeetboek. In 1810 diende hij een publicatie in bij het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten waarvan hij in 1808 bij de oprichting door koning Lodewijk Napoleon lid was geworden. Hij beschreef daarin zijn electrische experimenten op Jan Bruin, een doof jongetje. Zijn collega's keurden de publicatie niet goed!
Na de Bataafse Revolutie in 1795 was hij Amsterdams raadslid en in die functie opperde hij in 1797 als eerste het idee om kinderen van het Aalmoezeniersweeshuis buiten de stad bij fabrieken en boeren uit te besteden. In
"een gesprek met de burger Pennink en door correspondentie met de burger Blijdenstein, beide fabrikeurs te Enschede had hij ontdekt dat de kinderen aldaar geplaatst zouden kunnen worden ten voordele van het Aalmoezeniersweeshuis en het welzijn der kinderen in het algemeen".
De belangrijkste drijfveer was bezuiniging. Maar toen door de toenemende verpaupering in de Franse tijd het aantal weeskinderen explosief toenam, zal ook het probleem van ruimtegebrek in de bestaande behuizing een rol hebben gespeeld.
Eén van de regenten van het aalmoezeniersweeshuis in 1811 was A. de Bruine, die - te oordelen naar de eerste brief - een oude vriend van van Barneveld was. Toen er in 1811 sterk bezuinigd moest worden, begon men op grote schaal weeskinderen naar het platteland te sturen. Het weeshuis moest in 1811 vijftig gulden per jaar per kind betalen, precies evenveel als het bedrag betaald in 1649 voor kinderen uitbesteed bij particulieren in Amsterdam. Dat geeft een indruk van de geringe inflatie in de zeventiende en achttiende eeuw.
Bij een bezoek van van Barneveld aan Amsterdam, op uitnodiging van de regenten van het weeshuis, had de Bruine hem verzocht de uitbesteding van een aantal Amsterdamse weeskinderen naar Hattem en omgeving te organiseren. Op 15 Mei 1811 antwoordt van Barneveld dat hij het wel wil proberen. En een contract, typisch voor die tijd met tekst in het Frans (links) en Nederlands (rechts) werd op 21 mei ondertekend.
Artikel 12 van het van het contract zegt dat "M. van Barneveld sera chargé de la surveillance générale des enfans placés dans son ressort, et correspondra seul avec les administrateurs." De correspondentie tussen van Barneveld en het Aalmoezeniersweeshuis is te vinden in het Amsterdamse Gemeentearchief.
De kinderen kwamen aan in drie "bezendingen". Over het algemeen waren de boeren tevreden met wat voor hun toch wel goedkope arbeidskrachten waren. Na de eerste groep die arriveerde op 6 juni 1811 kwamen er verzoeken voor meer kinderen en een tweede groep kwam op 12 oktober van hetzelfde jaar aan. De laatste groep, waarbij ook de twee meisjes Finck hoorden kwam op 25 juni 1813 uit Amsterdam.
Men krijgt de indruk dat de kinderen die in de omgeving van Hattem op verschillende boerderijen waren uitbesteed, het redelijk goed hadden. Een voorbeeld van duidelijk slechtere omstandigheden vonden de regenten van het aalmoezeniersweeshuis op een inspectietocht naar Feijenoord, toen nog een eilandje onder Rotterdam, waar kinderen in een fabriek waren uitbesteed.
In mei 1823 vraagt Willem van Barneveld aan de regenten van het aalmoezeniersweeshuis om getuigschriften voor weeskinderen die ontslagen gaan worden. De regenten staan er op dat de kinderen vier keer met een interval van een half jaar naar Amsterdam komen. Pas bij hun laatste bezoek krijgen ze hun getuigschrift en de som van 25 gulden.
Het getuigschrift van Alida Finck is niet bewaard gebleven. In het gemeentearchief van Amsterdam ligt het getuigschrift van een meisje dat het kennelijk nooit heeft opgehaald:
Hij zinspeelt op z'n slechte gezondheid en zegt dat de volgende getuigschriften wel door z'n dochters aangevraagd zullen worden. Hij is dan 76 jaar oud. Drie jaar later, op 23 juni 1826, overlijdt hij in Hattem.
