Het verhaal van Alida Finck
Alida Frederika Augustina Finck werd op 11 oktober 1804 in Amsterdam geboren als tweede dochter in een gezin afstammend van Duitse immigranten. Op 22 oktober werd ze gedoopt door Dominee C.H. Ebensbach van de Hersteld Lutherse gemeente. Vier maanden later wordt ze vermeld in een rouwadvertentie in de Amsterdamsche Courant:
Deze advertentie spreekt boekdelen. Vader Frederik August had kennelijk "de tering" en bij de geboorte van de jongste dochter was het duidelijk dat hij niet lang meer te leven had. Dat zal de reden geweest zijn dat zij zowel naar haar moeder als naar haar vader vernoemd werd, iets zeer ongebruikelijks in die tijd. De handel in olie en walvistraan had er voor gezorgd dat het gezin zeker niet arm was; een rouw-advertentie in de krant suggereert een zekere mate van welstand. En voor de begrafenis in de Zuiderkerk op 28 februari werd 15 gulden neergeteld, een flinke som voor die tijd.
De jaren na 1804 waren rampzalig voor Amsterdam - en voor Nederland. Door de oorlogen in de Napoleontische tijd en het "Continentale stelsel" kwam de handel vrijwel volledig stil te liggen. Hoewel we niets precies weten over de zaak van de weduwe Finck, het is waarschijnlijk dat de zaak failliet was toen zij op 18 augustus 1812 overleed. Wat haar twee dochters in de twee maanden na haar overlijden hebben gedaan weten we niet. Waarschijnlijk zijn ze wel eerst bij hun grootmoeder, Johannetta Christiana Asmoet, een bakster in de Vijzelstraat, ondergebracht. Maar het weeshuis was hun voorland. En hun vader was zo jong gestorven dat hij nog niet als "poorter" van Amsterdam aangenomen was. Kinderen van niet-poorters konden niet naar het Burgerweeshuis; hun enige mogelijkheid voor hen was het aalmoezeniersweeshuis.
"Zijn gelezen de notulen der voorige vergadering en goedgekeurd; wordt gelezen.
1º Eene missive van den Heere Rijksbaron, Lid van het Legioen van eer, Maire dezer stad, in dato 29 October, houdende achtervolgens autorisatie van den Heer prefekt admissie, ter plaatsing in dit Godshuis van J.C. Finck, A.F. Finck en C. Goossen.
2º Eene dito in dato 30 dito, houdende als boven admissie van de kinderen Willem en Johan Wasserman.
De Regent de Bruine rapporteerd namens de Commissie op haar door deze vergadering geslagen, ter Zake eener aanschrijving van den Heer prefekt, vervat in eene missive van den Heer Maire, de dato 8 September l.l., betrekkelijk het te laat te huis komen der kinderen in dit Godshuis, dat dezelve Commissie van oordeel was:
1º Om de Kinderen welke eene uitzondering van den algemeenen regel behoorden te maken, ouden en bejaarden en Werkjongens namentlijk, door de Kantoormoeder en Mr Scheffer van de noodige permissien te voorzien.
2º Alle de overigen in den wintertijd voor Zes uuren en gedurende de Vier Zoomermaanden voor Acht Uuren te doen te huis komen
Met welk gerapporteerde Zich de vergadering Conformeerd, Waarna dezelve wordt gesloten."
Op zaterdag 31 oktober 1812 in het aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht in Amsterdam opgenomen. Johannetta Christiana Johanetta was toen 11 jaar en acht maanden oud, Alida was acht jaar. Johannetta Christiana werd ondergebracht op kamer 83 van het Groote Huys, Alida op kamer 171.
Ze blijven maar 8 maanden in dat weeshuis. In juni 1813 horen ze bij de "uitverkorenen", die met de "derde bezending", onder begeleiding van mijnheer Hartelust, naar Hattem worden gestuurd om voor boeren in de omgeving daar te werken. Daar vallen ze onder de verantwoordelijkheid van de heer Willem van Barneveld.