Eene Waarneming
Eene Waarneming betrekkelijk de geneeskundige electriteit
door Wm. Van Barneveld
Jan Bruin, acht Jaren oud, een zoon van den Heer Willem Bruin, Compassenmaker alhier te Amsterdam, was doof en stom toen hij, in den Jare 1801, aan mij werd voorgesteld, om door middel van de Electriciteit van zijne doofheid, indien mogelijk, genezen te worden. De Ouders van dit Kind droegen kennis van de gunstige Uitwerking, die de Electriciteit, ten aanzien van sommige gebreken, had te weeg gebragt, en scheenen vooringenomen met de proefneming daarvan. Zij hadden zich vervoegd bij den Hoogleeraar Andreas Bonn,op wiens raad zij dan ook tot mij kwamen. Hoezeer de Hoogleeraar en ik weinig, goed geluk van deze onderneming aan de ouders voor spellen konden, vrezende, dat hij met dit gebrek geboren was, kwam ons dit Kind, van een gezond en vlug gestel zijnde, echter geschikt genoeg voor, om eene proef te nemen, wat de Electriciteit in zijn geval zou vermogen, te meer, om dat zijne Ouders op deze beproeving gesteld waren, en wij derhalve van hunne medewerking alles, wat in dit opzigt nodig was, te verwachten hadden.
Het Kind was zoo doof, dat het tot hiertoe geen geluid der menschelijke Stem kende. Sommige doven, al hooren zij niets van het geluid, voelen nogtans wel eens de trilling, die in de lucht veroorzaakt wordt, doch dit was ook zijn geval niet. In één woord, deze patient miste het Zintuig des gehoors; en hij was, ingevolge van dit gemis, ook tevens stom. Het geluid dat hijzelve gaf, was dus geen geluid dat hij nabootste, het kwam uit zijne aangenomene gewoonte natuurlijk voort, zonder verkregen oefening, zonder ontleening.
Menigmaal was ik echter in Staat, uit zijne geluiden op te maken, de Klank der Vocalen a e i o u, zonder daar bij Consonanten te hooren, maar nog meer ontdekte ik duidelijker het geluid van zamengevoegde Klinkers, als van aa, ae, oo, ou enz, doch altoos zonder Medeklinkers daar bij te vernemen. Men vergunne mij de Vraag hier in te vlegten, of men wel iemand stom kan noemen, die zulke geluiden kan te weeg brengen? Want bepaalde Woorden uittebrengen, om zijne meening uittedrukken, is iets, dat door oefening bij den hoorenden mensch verkregen wordt.
In dezen staat dan was dit Kind, het welk stond ge Electriseerd te worden. Na verscheidene ondervragingen, scheen het den Hoogleeraar Bonn en mij toe, dat dit gebrek niet volstrekt kon bepaald worden, aangeboren te zijn. Hij had in de eerste Weken van zijnen leeftijd een Stuip gehad, welke ligt wel de oorzaak van eene verkregene doofheid kon zijn, waardoor dan indien zijne doofheid daar uit oorspronkelijk was, de Werkeloosheid der Zenuwen en der Spieren door middel der elektrieke vloeistof zou kunnen opgewekt worden. En waarom niet even zoo wel in dit geval, als in zoo vele andere gevallen van verlammingen, op diergelijke wijze aangekomen, zoo als menigvuldig in mijne geneeskundige Electriciteit beschreven, en onder het toezigt van Wijlen den geleerden Hovius en onze Medeleden den Hoogleeraar Bonn, doctor à Roij en anderen zijn volbragt.
Gaarne bekenne ik, daar de oorzaak van dit gebrek des Kinds onbekend was, dat er eene onzekere indicatie bij de toediening der Electriciteit bij ons plaats had. Maar waar is toch altoos eene waare indicatie, in de toediening der Electriciteit, het zij in volkomene of gedeeltelijke verlammingen te vinden? Ik voor mij durf vrij uit zeggen, dat in de menigvuldige behandeling der gebreken voor welke de applicatie der Electriciteit wierd aangeprezen, mij nimmer eene Waarachtige, op gronden steunende aanwijzing a priori gebleken is. En wie weet niet, dat zulks, in de meeste gebreken, die men met de Electriciteit onderneemt te genezen, het geval is? en waaraan men diensvolgens, naar mijn oordeel, de zoo vele mislukte ondernemingen mag toe schrijven. Uitkomsten, die mij zelve, niettegenstaande mijne hoop en verwachting, dikwerf te leur gesteld hebben.
Dit kind, Jan Bruin, was gelijk ik reeds gezegd heb, zeer gezond, vlug van aard, en scheen een vatbaar begrip te hebben, doch tevens driftig en wild. Zijn Vader kon hem echter met één woord regeren; minder gehoorzaam was hij aan zijne Moeder, andere Broeders en Zusters. De Electriciteit eens gevoeld hebbende, was hij niet gemakkelijk te bewegen, om dezelve andermaal te ondervinden; Zijn Vader wist hem dit toch te beduiden, en vervolgens haalden wij hem telkens over, met kleine giften van doosjes, drop, printen, koek enz.
Onze eerste en eenige volgende Electriseringen bestonden, door het trekken van vonken uit de gehoorwegen, met een koperdraad, door middel van een wel van voren afgerond elpenbenen isoleerend handvat, terwijl wij tevens ook vonken trokken uit de omtrekken der ooren, bij voorbd over den Pes ansarinus. Deze toediening der Electriciteit onderhielden wij eenige dagen, zonder eenige schijnbare verandering.
Hoe zeer wij ons de moeijelijkheid, ten opzigte van den Jongen Lijder voorstelden, om de Electriciteit vermogender aan te wenden, oordeelden wij evenwel daartoe te moeten overgaan, onbesloten tot het aanwenden der electrike vonkenstroom, en wel, om dien stroom te doen doorgaan, door de eene en door de andere gehoorweg, en de elektrike stof door de Tuba Eustachiana op te vangen en over te nemen. Doch wij moesten met de eerste proef daarvan afzien, want hoe zeer ons dit als de kortste weg, tot zijne genezing, toescheen, bleek het wel dra, dat hij voor redenering, om van zijn toekomend geluk overtuigd te worden, onvatbaar was. Hij wilde deze applicatie niet toelaten; zij verwekte hem waarschijnlijk te veel pijn, en zonder eene rustige en stille houding was deze bewerking toch onmogelijk. En hoe zoude hij vervolgens daartoe over te halen zijn geweest? daar hij onze Spraak niet kon hooren en al had hij die gehoord, niet kon verstaan? Hij moest dus hier, even zoo als in het gehele beloop der behandeling, door gebaarden tot onderwerping gebragt worden; en in de daad, als wij ons eens voorstellen, dat het Kind niet wist wat doofheid was, dat hij het nadeel van het gemis des gehoors niet kende, dat hij nog minder het voordeel voor, door hetzelve weder te verkrijgen doorzag, dan moet men zich billijk over zijne verdraagzaamheid verwonderen; intusschen was het betamelijk ontzag voor zijnen Vader, die meesttijds de moeite nam om met hem bij mij te komen, daartoe voldoende?
De Hoogleeraar besloot dan met mij, om de electrike vonken stroom, het eene oor in, en het andere oor uit, te laten gaan. De voortleiders nu en dan te verwisselen, en als hem deze toediening te ondragelijk wierd, bragten wij de eene voortleider, en ook wel beiden buiten het oor, over de omleggende zenuwen. Wij hielden dagelijks telkens 16 à 18 Minuten hiermede aan, en als het hem zeer begon te verveelen, namen wij eene tusschenpozing, wij verbeideden eenige Minuten met de toediening. ook moesten wij wel eens twee à drie dagen de proef geheel uitstellen om dat er kleine roode puistjens binnen de gehoorwegen ontstonden, die in etterdragende zweertjens veranderden, waarvan de rooven echter wel dra afvielen.
Na dat hij nu op deze wijze bijna een maand onder onze handen geweest was, hoorde hij onverwacht, staande op de stoep van zijns Vaders huis, hetwelk in de nabijheid van de Oude Zijds Kapel gelegen was, de Klok op die kapel geplaatst, slaan. Hij gaf dit aan zijnen Vader door gebaarden, en door naar de plaats te wijzen van waar het geluid kwam, te kennen. Zijn Vader, een zeer oplettend man, begreep het, maar nam, om van zijn Zoons bevinding zeker te zijn, daar eene proef van. Hij bragt hem, omtrent den tijd dat de klok wederom slaan moest, zonder hem vooraf door wijzen of aanduiding iets te kennen te geven, buiten de deur van het huis, de Klok sloeg, en Jan wees met verbazing naar de plaats van waar het geluid kwam. Deze zoo gelukkige uitkomst, die ons niet weinig aanmoedigde, wierd achtervolgd na eenige electriseringen, door het hooren slaan van een staand horologie binnenshuis, door het hooren fluiten van zijnen Vader met den Mond, zelfs na eenige dagen op den afstand van 30 à 40 treeden, waarom zijn Vader dit dan ook sedert dien tijd als eene gewoonte aannam om hem te roepen. Onze electriseringen wierden op dezelfde wijze voortgezet, doch hij maakte geene andere vordering, als dat hij nu en dan de menschelijke Stem begon te hooren, doch door zijnen speelschen aard en gebrek aan besef van het nut zijner genezing, stelde hij er geen belang in. Tot een bewijs dat deze belangloosheid uit dit besefgebrek voortkwam, kan hier aangevoerd worden, dat hij verblijd was, als hij niet zoude geElectriseerd worden. Hij was intusschen schrander genoeg, om dit uit zich zelve te weten. De ondervinding had hem geleerd, dat men daar mede oversloeg, als er eene vochtige luchtgesteldheid plaats had, waarom hij dan ook spottend zijn genoegen deswegens te kennen gaf.
Men vergeve het mij andermaal, Mijne Heeren, dat ik mij veroorlove, hier eene aanmerking in te vlegten die mij dunkt dat Uwe overdenking niet geheel onwaardig is. Zij is deze: Dit doofstomme kind had nog nimmer eenig woordelijk onderwijs genoten; hij was alleen geleid door gebaarden en voorbeelden in zoo verre men in staat was door dezelve hem zijnen pligt te leren, en verder niet. Men leerde hem voorzeker geen kwaad, geene verkeerde dingen, niets anders dan het geen hem voordeelig kon zijn; hij was toch blijde als hij niet geëlectriseerd kon worden en gaf dit op de gemelde spottende wijze te verstaan. Hij verwonderde zich als hij iets zag, dat voor hem vreemd was. Hij gaf zijne goedkeuring of afkeuring te kennen. Hij liet zich door tekens overtuigen van de noodzakelijkheid, dat hij de pijn, die de electriciteit verwekte, moest doorstaan; en wat dies meer is. Hoe verre is derhalve de bevatting van den redelijken mensch, zonder een spraakzaam onderwijs, verheven boven dat der redenlooze dieren? Ik laat het antwoord op deze vraag over aan allen die redelijk denken.
Maar om weder ter zake te keren; wij besloten vervolgens om hem zeer kleine schokjes te geven uit een klein glaasje, met twee duim bladtin bekleed, en plaatsten den Electrometer een vierde van een duim van den eersten conductor der Electriseer Machine; en deze schokjens, die iets meer in kracht waren dan eene versterkte vonk, lieten wij eenige minuten door het eene oor in, en het andere oor uitgaan. Beurtelings de geleidene draden verzettende, of omkerende van den eenen gehoorweg tot den anderen. Onder deze aanwending der elektrike stof, wierd het gehoor van lieverlede beter, doch het koste mij veel moeite en veroorzaakte het kind veel pijn. Het is mij toch bestendig in alle gevallen, ook met de toediening van het Galvanismus, gebleken, dat de elektrike gewaarwordingen in de gehoorwegen het aandoenlijkst zijn. Deze pijn wierd bij hem echter vergoed, door het meer bepaald hooren der menschelijke stem, mits men hard sprak. Hij kon vervolgens een horologie aan zijne ooren gehouden, hooren tikken, en na eenige dagen hoorde hij het ook achter hem, mits hetzelve niet meer dan 4 a 5 duim van hem verwijderd was. Men begon zich nu moeite te geven, om hem letters en sijllaben te laten uitspreken. Hij sprak echter zoo de eene als de andere wanluidig uit. Door zijne jeugdige Jaren en weinige belangstelling, was zijne onopmerkzaamheid hem in het aanleren van woorden niet voordeelig. Het blijft toch altoos eene Waarheid, dat de kunst door oefening verkregen wordt. Hij leerde echter de woorden Va-der, Moe-der, Pie-ter, Caat-je enz, ook met aanwijzing der personen, die bij hem daardoor verbeeld moesten worden. Maar om een denkbeeld te geven hoe veel moeite dit aan zijne ouders kostede, en in hoe verre zijne bevatting verwijderd was van het eigentlijke woord, dat wij voor ons in de zamenleving bezigen, om de beteekenis eener zaak uit te drukken, dient het volgende. Zijn Vader had mij gezegd, dat hij wel eens met hem bij eenen Vriend in de plantdaadje alhier ging wandelen. Deze Vriend zijns vaders had een Zoontje van gelijke Jaren als hij. Dit Zoontje had een Bok, met welke zij beiden zamen speelden, en in zulk een Bok had Jan veel zin. Ik beloofde hem dan ook zulk een Bok, mits hij zich maar goedschik liet electriseren. Ik nam de gelegenheid vervolgens waar, om hem het woord Bok te laten spelden. Ik riep, achter hem staande, Jan! hij keek om. Zeg eens B, hij zeide Be met een langen uithaal, hij vergat dus de vocaal niet, want deze scheen in zyne uitspraak duidelijk daar achter gevoegd te zijn. Ik riep hem toe, zeg nu O, hij zeide Oo, de vocaal wierd hier in zijn geluid verdubbeld. Ik riep voorts, zeg nu k, hij zeide ka, al wederom de vocaal met nasleep daarbij gevoegd. Ik liet mij nu hooren door hem voor te zeggen, zeg nu B.O.K. Bok, en wat zou men wel denken dat zijne naspraak was? Het was voorzeker niet B.O.K., Bok, zoo als het in de zamenstelling dezer letters natuurlijk voor het eerstbeginnend kind zou geweest zijn. Neen, hij volgde mij letterlijk na te zeggen B.O.K. maar toen hij aan de uitspraak van het woord Bok kwam, riep hij: Mae, het geluid namelijk dat de Bok als hij met de zweep slaag kreeg, om zijn Jammer uit te drukken, deze knapen toeschreeuwde. Om van deze uitkomst eene verklaring te geven, valt niet moeijelijk. Jan liet zijne zinnelijke gewaarwording, die van het geluid des Boks door het gehoor in zijne ziel geprent was, verregaan boven de aandacht, die hij moest besteed hebben om de letters B O K in het zelfstandig naamwoord Bok uit te spreken.
In de vierde Maand onzer Electriseringen, zijnde December, konden dezelve minder geregeld worden voortgezet, eensdeels om de deinzige luchtgesteldheid, als om de reeds gemelde puistjens die in de gehoorwegen door de electriciteit veroorzaakt wierden. Ik electriseerde hem echter telkens met twee hondert en meer schokjens uit dezelfde hoeveelheid bekleed glas, en met denzelfden afstand des Electrometers hiervoor reeds opgegeven. Hoezeer dit Kind tot het gehoor was terug gebragt, bleef hij echter hardhoorend. Voor eenig schelklinkend geluid, bij voorbeeld voor een fluit, voor het gezang van een Canarijvogel enz, was hij vatbaarder dan voor een dof grof geluid. Was dit dof geluid zwaar, dan viel het hem lastig, dit aan te hooren, zoo ontweek hij dan ook de Trommel als hij dien maar van verre hoorde slaan. Het geluid was hem onaangenaam en zelfs onverdragelijk, en, wat hier omtrent minder verklaarbaar moet voorkomen, was, dat hij het orgel geluid niet kon verdragen. Ik durf het niet wagen van dit een en ander reden te geven: de trillende beweging der lucht wordt toch zoo wel door gefluit als door het orgel en getrommel verwekt. Aan het einde van deze maand December besloten wij, om eenigen tijd met de voortzetting der Electriciteit te vertoeven. Vervolgens stelde zijn Vader mij voor, om zijn zoon te galvaniseren. Hier toe kon ik noode besluiten. Ik had van het goed gevolg der galvanische vloeistof nog te weinig bij ondervinding geleerd: want daar ik de proef op veel minder dooven dan hij, zonder succes had genomen, sloeg ik weinig geloof aan de berigten, uit Jever, uit Duitschland en van elders ontvangen. Ook was ik er op gesteld, dat in dit geval het vermogen der gewone Electriciteit diende vervolgd te worden.
Zijn Ouders besloten inmiddels om hem te plaatsen op het Instituut van Dooven en Stommen te Groningen. Toen hij daar kwam, maakte men zwarigheid, hem als eenen doofstommen aan te nemen, en niet zonder reden. Hij was ook niet doofstom meer. Men kon hem bij anderen, die volstrekt doofstom waren, niet plaatsen, want hij kon, schoon gebrekkig, hooren en eenige woorden uitspreken, hoezeer geene aaneengeschakelde reden verstaan; het was dus om meer dan eene rede moeijelijk, hem in dien staat blijvende, zoo op de eene of op de andere wijze het nodig onderwijs te geven. Hij wist tot het eene te veel, en tot het andere te weinig. Hij wierd echter op het Instituut geplaatst, want ik kon geene volkomene genezing beloven. Hij is er heden nog, nu sedert bijna zeven Jaren, onder het opzigt van zijnen Meester, en heeft er redelijk goed schrijven, lezen en de beginselen der Rekenkunst geleerd. Zijn Schrift zal ik zoo aanstonds het genoegen hebben aan de vergadering te vertoonen; hij leest de Courant, doch lange zinsneden verstaat of begrijpt hij niet. Het aanleren van woorden echter die hem in de zamenleving zoo noodwendig waren, om zijne begeerte uittedrukken, is hem door den omgang met anderen niet geheel mislukt; men kan toch ten aanzien van hem op het Instituut zich niet opzettelijk voor hem met een afzonderlijk onderwijs bezig houden, waarom zijne Ouders nu sedert eenigen tijd, hem afzonderlijke meesters geven.
Hij moest de Taal en de uitspraak van die Taal beiden door zijne eigene opmerkzaamheid aanleren, en het is niet onwaarchijnlijk, dat wanneer hij altoos met menschen omgegaan had, die zich hadden kunnen verledigen, om zoo overluid, als het voor zijn gebrekkig gehoor nodig was, te spreken, dat hij dan thans het begeerde beter en rijker zoude kunnen uitdrukken als hij nu doen kan. Want hetgeen hij vraagt is doorgaans verkort en maakt slechts de helft uit van hetgeen hij vragen moest.
Hij is nu zestien Jaren oud, en beseft meer dan ooit, het nadeel dat hem het gebrek van zijn gehoor veroorzaakt. Hij speelt het damspel. Is hij in gezelschap van anderen van zijne Jaren, die eenig spel spelen, daar het gehoor volstrekt bij nodig is, zoo als dit doorgaans het geval is, dan wordt hij droefgeestig. Deze laatste berigten heb ik voor eenige dagen van zijne ouders vernomen, want ik zelve heb hem in geen drie jaren gezien, anders zoude ik misschien omtrent hem iets meer uitvoerigs kunnen zeggen. Ik verlang hem gade te slaan en te spreken: ik leve in de hoop, hem te zullen overhalen, daar hij nu zelve zijn kwaal beseft, tot eene vernieuwde aanwending der Electriciteit of van het Galvanismus, schoon dit laatste aan hem in Groningen is beproefd zonder succes. Hij komt van dezen zomer te huis, en zal dan volgens de wetten van het Instituut, geacht worden volleerd te zijn.
Uit dit eenvoudig verhaal blijkt, wat de werking der Electriciteit in zijn geval heeft kunnen teweeg brengen, en wat die tot hiertoe, niet heeft kunnen volmaken. Want het is waar hij was niet genezen. Hij kan gezegd worden, slechts gedeeltelijk genezen te zijn; doch wie zal bepalen, indien men de toediening der Electriciteit had blijven voortzetten, dat zijne volkomene genezing niet zoude zijn gevolgd? Voor eene nieuwe proefneming blijft hij intusschen, schoon nu agt jaren verlopen zijn, even vatbaar; maar wie zou de gelukkige uitkomst daarvan durven beloven? Daar is evenwel veel grond tot dit vooruitzicht, immers is het in alle gevallen gebleken, dat hij van eene volslagene doofheid tot hooren gebragt is.
Dat dit kind beginnende te hooren, noch spraak noch woorden verstond, veel min een volzin, uit woorden te zamen gesteld, kan bevatten, ja zelfs, dat hem in sommige gevallen, het hooren verveelde, dat hij liever doof wenschte te zijn, als de moeite te willen nemen, om letters, syllaben en woorden te willen leren, hetwelk voor hem indedaad eene nieuwe last was, dit zijn zaken, die ons in onze ondernemingen niet behulpzaam maar zeer hinderlijk geweest zijn, en niet tot de wederverkrijging van zijn gehoor behooren. Men kon hem op zijn gunstigst genomen, niet anders aanmerken als een kind, dat men, een Jaar oud zijnde, moet voorzeggen, Ja, Neen, Va, Moe, vervolgens Vader, Moeder en soortgelijke woorden, terwijl hij, door zijne speelsheid, zijne aandacht op het geen men hem voorzegde, minder vestigde, dan op het geen hem omringde. Daarenboven werd, tot zijne genezing, in de toediening der Electriciteit, eene volstrekte onderwerping en bereidwilligheid vereischt, die wij niet altoos bij hem aantroffen.
Ik heb mij gewacht dit geval, zelfs in het geringste deel, niet hoger op te geven, als het in den volsten zin der Waarheid overeenkwam. Ik moet hier derhalve nog bijvoegen, het geen zijne Moeder, bij de voorlezing van dit berigt, mij verzekerde, dat zijn gehoor, gedurende den tijd, dat hij te Groningen geweest is, meer achteruit dan vooruit gegaan is. Ik vertrouw evenwel, dat hij thans niet minder opmerkzaam zal geworden zijn; men mag dunkt mij, dit bepalen, om dat hij ouder geworden zijnde, zijn onvoordeeligen toestand volkomen kent.
(Voorgedragen voor de vergadering van de Eerste Klasse van het Koninklijk Instituut op 27 Louwmaand 1810.)