Correspondentie
Correspondentie tussen Willem van Barneveld en het Aalmoezeniersweeshuis
15 May 1811
WelEd Heer en Mr A. de Bruine
te Amsterdam
Hattem 15 May 1811
Weled Heer en vriend,
Van het ogenblik af, dat ik Uwe geëerde ontving, ben ik werkzaam geweest, of ik aan Uw voorstel en vooral aan de gemeende intentie zou kunnen voldoen, om hier in de Stad en omstreeks, bij de Boeren enige kinderen kan geplaatst krijgen, en om daaromtrent eene goede keuze te doen, zo ik met dankzegging kan beloond worden, wegens de zorg, die ik op mij neem. Meer dan met 10 a 12 kinderen zal ik dit werk niet beginnen. Ik moet zien, hoe het mij daarmede gaat. Ik kan er meer krijgen en met er tijd meer plaatsen, doch men moet in den beginne een goede keuze doen. Van 9 tot 12 Jaaren de kinderen te neemen, kan ik nog niet bepalen. Elk wil gaarne de oudsten hebben, daar zullen er 2 a 3 van 13 en 14 Jr bij dienen te zijn. Dog hier over schrijve ik Uwed nader. Ook of ik R. Catolijken kan plaatsen. aan deze plaats en in den omtrek zijn slegts 50 RC Lidmaten die te Swol, een uurtje van hier, ter kerke gaan, dog ligt wel neem ik 'er een of twee.
Veroorloof mij twee a drie vragen:
Ik vinde Art. 4 enigsins beswaarlijk voor dien die kinderen neemen: de vraag is: krijgen die besteedde kinderen, in het 2de of 3de Jaar niets meer dan de eerste uitrusting?
Krijgen de kinderen, als die lieden, die ze hebben eens in het 2de of 3de Jaar Sterven, niets daarbij?
Want dan is de eerste uitrusting versleten, en ik moet die bij een ander doen. Ook ingeval ik eens een kind van iemand wegnam, en bij een ander besteedde, in dien zodanig kind eens, niet wel bij de eerste lieden behandeld wierd.
Ik verzoek hier op het antwoord van de Heeren Vollenhoven of Berntz. Ik schrijve deze aan Uwed. Slegts, om dat ik met die Heeren, bij mijn vertrek uit Amsterdam, door tijdsgebrek niet heb kunnen spreeken.
Ik zal als dan nader bepalen, hoe veel en welke Sexe en Religie, ik kan plaatsen, in ......... werkzaam blijven. Laat mij ook weeten wanneer die kinderen zullen komen, daar word mij na gevraagd. Ook vertrouw ik dat hier voor gezorgd worde, dat ik geen Stupide Kinderen krijge. Misschien neem ik er Zelve een.
Ik heb de Eer met de meeste achting te zijn in Haast
Uwe oprechte dr. en vriend. W. van Barneveld
2 Juny 1811
De Heeren J. Vollenhoven en H. Berntz te Amsterdam
Hattem, 2 Juny 1811
WelEdele Heeren!
Schoon ik thans eerst in staat ben, om Uwe vereerende Missive van 22 der vorige maand te beandwoorden, vleye ik mij, des te beter geslaagt te zijn, in het plaatsen der kinderen, uit het Aalmoeseniers weeshuis. Ik heb de tijd genomen om eene goede keuze te doen, om aan de welmeenendste Uwer oogmerken te kunnen voldoen.
Ik ben dan geslaagt, om 16 meisjes en 4 jongens te plaatsen, welke 20 kinderen verzoeke, om mij bij de eerste gelegendheid toe te zenden. Ik vertrouw dat 'er een suppoost, of iemand daar toe bekwaam, bij zal zijn om die kinderen te verzellen. Over Elburg zal de beste gelegendheid zijn, dan hebben zij slegts 4 uuren, die niet groot zijn, te wandelen, of 'er zou een boerewagen aldaar kunnen aangenomen worden, waarop zij, bij beurten konden zitten en wandelen.
Ik vertrouw dat mij kinderen gezonden zullen worden, zonder gebreken, tusschen 12 en 14 jaaren. Een der jongen komt als huisknechtje bij onze gewezen ballieuw ter E. Daendels. Ik zelve, onder het bestuur mijner dogters, neem een meisje. Zo het eerste niet met de intentie der Heeren Regenten instemt, verzoeke ik, dat dien jongen, (die ook daar toe geschikt moet zijn), niet gezonden worde; voor ons zelven, had ik gaarne, het meisje, op Uwe recommandatie, want ik zou mij eer, dan de opsichteressen, in het huijs, in den keuze kunnen vergissen.
Het eene kind zal het voorzeker beter treffen dan het andere, doch allen zullen uit dezelve pot met de lieden eeten, en als hunne eigen kinderen worden behandeld, voor zedelijkheid, en goede orde, sta ik in. De meesten kunnen binnen deze stad, slegts vier a vijf daar buiten, doch in deze stad bestaat het soort van lieden, bij welken zij geplaatst zullen worden, uit menschen, die melkbeesten houden, uit hoofde, dat bijna de burgerij alleen bestaat van veehouden en aardappelen teelen, en koornbouw.
Ik heb met den schoolmeester alhier, niet kunnen slagen. Hij doleert omtrent schoolboeken, papier en pennen,' jaars tot f 2 - 8. Doch daar er zekerlijk onder zullen zijn, die slechts het avondschool, of het halve school nodig hebben, zal zich dit wel schikken. Alleen verzoeke ik, dat aan de kinderen worde medegegeven, de boeken, waar uit ieder voor zich thans uit leest, als ook, zo zij schrijven - de schriften. En kan het zijn, zo zij braaien, of najen, het handwerk, om daar uit voor het tegenwoordige in de plaatsing der kinderen te kunnen oordelen. Zelfs ook voor het vervolg, om te kunnen zien, welke vorderingen zij maken.
De brenger der kinderen, kan misschien mij omtrent meer vragen die ik doen zoude, berichten. Ik verzoek met eenen brief vooraf, met de post bericht te hebben, wanneer ik de kinderen zal verwachten, opdat ik van hunne komst kennis drage.
Ik betuige te zijn, met hoogachting
WelEd. Heeren!
UwEd Dw Dienaar & vriend
W: van Barneveld.
P.S. Ik verwagte allen gereformeerde kinderen, en twijffel niet, daar ik zelve lid van de kerkelijke commissie ben, of zal hen, bij onze eigen armen kinderen, een plaats in de kerk bezorgen.
N.B. Nog iets met opsicht tot de uitrusting. Ik had liefst als het kan zijn één paar in de plaats van twee paar schoenen, of ten minsten het eene paar schoenen groter, dan het andere, omdat anders het tweede paar schoenen een jaar daarna gezonden wordende, ligt wel te groot of te kleyn zoude kunnen zijn - ook in de plaats van twee roode rokken voor de meisjens, een gestreepte, daerbij.
Moeten de menschen, die de kinderen krijgen, met mij geen contract aangaan? Recief geeven van het geen zij, van de uitrusting ontvangen? Is daar een gedrukt of geschreven exemplaar van? Of word dit alles aan mijne zorg alleen aanbevolen?
Onder brief in ander handschrift:
Copie Elburger beurtman.
Pr. Annabel (?) Leergraag
Minnaer gerecommandeerd tot een Huys Dienst & J.H. Sielreyder voor de Heer Daandels gedestineerd.
16 Juny 1811
(aan Vollenhoven en Berntz) 16 Juny 1811
...........Voor byna 14 dagen verzogte ik UwEd: om 20 kinderen, als 16 meisjens en 4 jongens te zenden, en my vooraf met een Brief een paar dagen te vooren Kennis te geeven. In eene vorige van UwEd: wierd mij gemeld, dat als ik de Kinderen ontbood, dezelve terstond gereed zoude zijn. Daar ik nu tot heden daar van niets verneem, en ik 'er om bij de Hand moet blijven, neeme ik de vrijheid UwEd: bij dezen te verzoeken, om mij ten spoedigsten eenig andwoord te doen toekomen, alzo ik begin te vreesen dat mijnen Brief niet overgekomen is.........................
29 Sept 1811
Hattem 29 Sept 1811
(W van Barneveld beantwoord 3 October)
Mijne Heeren.
In 't gemeen voldoen de 20 kinderen, aen de ingezetenen, zo binnen als buiten deze stad zeer wel. Ook de kinderen zijn zeer te vreeden. Ik heb 'er genoegen van. Een enkelde heeft ligt ziek geweest, die ik nog gemakkelijk geholpen heb. Een jongetje Egbert Plantagie No 621 is zwakkelijk van natuur, maar anders een lieve jongen en de menschen zijn geduldig met hem, hij is bij een wagenmaker.
Allen leeren bij onze meester zeer goed. Zij gaan Zondags voormiddag te kerk en ik houde weekelijks monsterdag naar kerktijd over hen.
Dit alles moedigdt mij aan om nog van UwEd zo dra mogelijk te verzoeken 13 meisjes en 5 jongens, onder welke laaste een die wat knap is, om een Heer te bedienen, die scheeren en kappen kan leeren. 't Is voor den Baron Hekeren, die hier bij Hattem woond.
Ik verzoek mij op zijn tijd te remitteren, het geen ik aen de kosthebbers der kinderen, op het kwartaal jaars moet betalen.
Ik heb eene ongesteldheid aen mijn been, zodat ik slegts over huis gaen kan, als dit hersteld is. Was mijn voornemen, om op het einde der maand Octob te Amsterdam te koomen, en zal dan eenige kleine verschotten met UwEd trachten te verrekenen.
Voorts verzoeke ik UwEd om een aental van 25 a 30, waarover UwEd nader aanvrage zal krijgen, te zenden naar het Dorp Steenderen in het Graafschap Zutphen aen een Harmanus Addink, welke UwEd daar over nader aanzoek zal doen. Dezen Heer aldaar Substituut Maire, ken ik als een braaf, edelmoedig mensch, tevens een man van orde; waarom ik dan ook van hem dit getuigenis gaarne geeve.
Ik heb de Eer met de meeste achting en verzoek van eene spoedige rescriptie te zijn.
Mijne Heeren etc.
5 Oct 1811
Hattem 5 oct 1811
Heeren Vollenhoven & Berntz
WelEd: Heeren!
Gelieft mij toe te zenden 12 Meisjes 4 Jongens allen van de gereformeerde Godsdienst. De vorige overbrenger zijnde een Uwer ondermeester Vos, die thans de weg weet, zal, om overbrenger te zijn, daar toe zeer geschikt zijn; immers durf ik van hem als zodanig goed getuigenis zijner zorgen te geven. Ik zal die aanstaande zondag 13 dezer verwagten. Zij kunnen dan zaturdag avond afreisen van Amsterdam. Gelieft de leerboeken die zij gebruiken mede te geeven, als ook de Kerkboeken.
Ik betuige met achting te zijn
WelEd Heeren! UwEdDwdienaar
W van Barneveld
In Haast; de post vertrekt.
15 Oct 1811
De Heeren Vollenhoven en Berntz
Hattem 15 Octob 1811
WelEd Heeren!
Volgens Uwe geëerde in dato 12 dezer heb ik ontvangen onder geleide van Vos de Twaalf Meisjens en vier Jongens, dog een Jongetje meer dat is vijf Jongens, en dus zamen zeventien in getal. Voor welk Jongetje boven het getal, ik echter eene zeer goede gelegendheid heb aangetroffen, en dus geplaast heb, gelijk ik al de overigen naar mijn genoegen geplaast heb.
Van de vorige Kinderen zijn er twee, die wederom Scabiës gekregen hebben, en schijnen niet volkomen hersteld geweest te zijn. De Jonge met naeme Bart Plantagie, die aan de koorts gesukkelt heeft, word beeter. De overigen zijn allen gezond en zijn wel te vreeden, waarvan Vos het getuigenis aan UwEds zal overbrengen.
Ik twijffel niet of den Heer Harmt Addink te Steenderen zal reeds UwEds omtrent eenige Kinderen geschreven hebben, indien die nog niet vertrokken zijn, en daartoe Vos moge worden geemployeerd, heb ik hem den weg aengewezen, die het minst kostbaar en 't gemakkelijkst is, namentlijk over Harderwijk, met de postwagen van daar op Zutphen, voorts 12 uur te voet van Zutphen op Steenderen, met een Gids die de weg wijst. Of met een wagen, die hen weg brengt, dan kunnen de kinderen daar bij beurten opzitten, of wandelen.
Ik heb de Eer met de meeste achting te zijn
WelEd Heeren!
UwEdDw. Dienaar en Vriend
W van Barneveld
8 Maart 1813
Amsterdam, 8 Maart 1813
.............Een Paar Reflexien zal ik zelve maaken: de eerste omtrent de Rekeningen van de Boek-verkoper Zeehuyzen, bedragende zamen f 40.5.8. Maar ik verzoek, dat men in het oog houde, dat de Kinderen geene Boeken hebben medegebracht, en ik dus in extra Kosten heb moeten vervallen; want zonder Boeken konden zij niet ter School gaan, en vervolgens na de vorderingen, die zij maakten, zijn de Boeken van de meest gevorderden door de mingevorderden gebruikt, maar hier uit moest noodwendig volgen, dat de eerst gemelden een ander Boekje moesten hebben. ............. Bij voorraad heb ik het genoegen, UwEd te verzoeken om in May aanstaande nog eenige Kinderen te hebben. Ik zal binnen kort, getal, tijd, en kunne bij UwEd: opgeven .....
22 Mai 1813
GAA 343/348 Kopieboek
22 Mai 1813 aan W. v. Barneveld à Hattem
Terwyl wy wederom eenige knappe kinderen op 't platte Land geplaatst wenschte te hebben en UWelEd zig bereid getoond hebbende, om nog eenige te plaatsen zoo is ons verzoek om per eerst gelegenheid te willen melden, hoeveel meisjes en jongens wy gereed moeten houden, om dezelven als dan op UEd eerste aanvraag dadelijk te kunnen laten vertrekken.
Met de meeste etc.
26 Mei 1813
GAA 343/348 Kopieboek
Brief aan 18 mensen, waaronder W. van Barneveld te Hattem
den 26 Mei 1813
Wij hebben de Eer uw WelEd te informeren dat zich zekere Coert Barend Kalf, door zijn onwaardig gedrag uit het weeshuis waarin hij onder-Suppoost was, weggezonden: zich naar diverse plaatsen alwaar kinderen uitbesteed zijn, begeeven heeft: zich aanmatigende, alsof hij door Heeren Regenten van het bovengemelde Huis belast was, om eene Inspectie over dezelven te neemen, en zich door dit middel bij de goede Landlieden trachtende te introduceren; weshalven wij UEd. verzoeken om ons bij gelegenheid, indien dit mogt geschieden zulks wille meededelen en des noods dit als dan aan eene of andere publique authoriteit aan te geven, ten einde zulk een misbruik in zijn principe worde gekeerd en den uitvoerder in zijne pogingen vereydeld wordt.
Nimmer werdt door ons iemand met eenige Inspectie belast, ten zij dat wij alleen dezelve bij tijd en wijle mogen verrichten.
Met de meeste hoogachting hebben wij..........
19e Junij 1813
GAA 343/348
den 19e Junij 1813
Wij zullen donderdag den 24 Junij aan UEd de gevraagde Twintig meisjes, waar onder de Suster van Dirkje Speelziek zenden, en tevens bij die gelegenheid de beide Benninga's, de nichtjes van Doctor Lyp. Vier Jongens zullen bij die gelegenheid mede gezonden worden.
Wij laten het aan uwe wijsheid over of deze kinderen, welke UE: permissie wilt geven, het door hun gedrag verdienen: overigens blyve deze permissie steeds aan Uwe willekeur overgelaten mits deze kinderen gewaarschuwd wordt dat zij zich dadelijk bij het godshuis moeten adresseeren op dat wij weten welke in de Stad zijn, en bij wie zij zich ophouden.
Ontvang etc.
29 Juny 1813
WelEd Heeren
de Heeren Berntz en de Bruine
Regenten van het Aalm: Weeshuis te Amsterdam
Hattem 29 Juny 1813.
WelEd Heeren!
De Kinderen onder opsicht van Mr Hartelust, zijn allen in welstand aangekomen. Dat Hij met die kinderen niet op den bepaalden tijd is afgetrokken, heeft mij, daar de Buitenlieden, tot derzelver ontvangst op l.l. vrijdag bestemd waaren, geconfusioneerd, te meer daar ik vervolgens die menschen vervolgens, toen de kinderen kwaamen weder bij een moest haalen, doch dit is nog al gelukkig uitgevallen, om dat Zij op Zondag vroeg te Hattem waaren, en die lieden meest alhier voormiddag te Kerk gaan.
Ik heb de Eer te zijn, met de meeste achting
Uwe Ed Dw dienaar
W. van Barneveld
PS. Daar zijn wederom eenige kinderen bij, die van wegens schurft niet genezen zijn. Ik zal ze wel dra helpen.
(ontvangen in Amsterdam op 3 Julij 1813)
3 July 1813
den 3 July 1813
In minzaam antwoord
24 Febr 1814
De Heer Berntz te Amsterdam
Amsterdam 24 febr 1814
WelEd Heer en waarde vriend!
Ik moet UwEd lastig vallen, maar gelieft daerbij terstond in aanmerking te neemen, dat het alleenlijk is als lid van een Regentschap, waar mede UwEd tot het Lichaam in verband staat. Ik had dus aen het Lichaam zelve moeten Schrijven, maar daar 'er Slegts vergadering is, op zaturdag en woensdag, wende ik mij tot UwEd, bijzonder ook daarom, dat UwEd de oudste is, ten aanzien der uitbestede Kinderen. Deze diend dan:
Dat ik gaarne de lasten draag van zorg, en ook van bijdragen , tot den welvaart van den uitbestede Kinderen, zo verre die onder mijn opsicht staan, maar die ik niet wil dragen met onlusten daar en boven. Ik betaal het kostgeld op den verscheenen dag, maar ik vorder ook rechtmatige behandeling van de kosthebbers. Deze vordering verliest recht van aanspraak, bij wanbetaling. En ik zou moeten swijgen. Indien ik dit had kunnen voorzien, dat dit ooit het geval zoude geworden zijn, dan zoude ik nooit zodanige Kinderen genomen hebben. Ik zal op 27 Maart en 7 April aanstaande het Kostgeld prompt betalen, maar het zal ook de laatste maal zijn, als men zich op het Contract niet meer gronden kan.
Waere het niet, dat ik op dit moment mij had verbonden, door acceptatie van een wissel, die ik op 1 Maart moet betalen ( f 2500,) dan zoude ik zo zeer niet aandringen op betaling, maar het tegenwoordig geval vordert dit voor mij, en dit is de waare Reden waarom ik van woensdag tot
woensdag, om geld gezonden heb, maar te vergeefs, waar door ik in het geval koome, als ik het zelve aanstaande zaturdag niet kan ontvangen, om het van een ander te leenen.
Het spijt mij Mijn waarde vriend, en het spijt mij van alle uwe medeleeden, wegens den moeyelijken post, waarin gijlieden U bevind, dat ik dezen Brief aan Ulieden moet afzenden, maar houd U verzekert dat ik des ongeziens ben, met de grootste achting
Uw Ed Dw dienaar en vriend
W. van Barneveld
28 April 1814
(Berntz en de Bruine) Amsterdam, 28 April 1814
Weledele Heeren!
Hier nevens heb ik de Eer te zenden, de Rekening Courant, waar uit blijkt, dat mijn voorschot over 1813 bedraagt f 220:17:6. Voorts wense ik, dat UwEd het mij niet zullen terkwaden, dat ik vrijmoedig en openhartig U mijne gevoelens openbaare: Nadat ik den 27 maart en 7 april l.l. de, op die dagen vervallen Semesters, aan de Kosthebbers der Kinderen betaald heb, zond ik na verloop van 8 dagen om Geld, en men bepaalde, om 14 dagen daarna te rug te koomen. Ik zond dus op woensdag den 27sten. Na 22 uur wagtens, kreeg hij op mijn schriftelijk verzoek ten antwoord: over 8 dagen wederom. Ik had de penningen intusschen nodig, alzo ik dezelve vóór mijn vertrek van hier wenschte te employeren. Zodanig uitstel en te leurstelling is de eerste maal niet, ik heb dit meermaalen ondervonden. De kosthebbers, zal ik over dezelve ontzag hebben, vorderen op zijn tijd betaling, en daaraan voldoe ik pront, bij voorschot op den dag, en ik vordere van hun wederkeerig, dat, waartoe zij, tenaanzien der behoorlijke opvoeding der geplaaste Kinderen verplicht zijn. Ook ligt de wederkeerige verplichting van Heeren Regenten aan mij, tot eene promte betaling. Ik begeer, ten dien opsichten niet met leveranciers, die winst genieten, gelijk gesteld te worden; want om de Kinderen voor de Maatschappij nuttig te maaken, en voor hun zelven gelukkig, is mijn eenige doel, en ik schiet 'er geld bij in. Ik geef UwEd: de keuse, om een van beiden: of de Kinderen nog 58 in getal, waarvan ik voor eenige dagen 16 van School, omdat zij genoeg weeten, ontslagen heb, te rug te neemen, of mijne uitschotten op zijn tijd promt te voldoen, als ik 'er om zende. Wij moeten wederige verplichting volbrengen, ik verzoeke UwEd: mij van Uw besluit, als bijzonder met deze Commissie belast, kennis te geven, op dit mijn tweeledig voorstel.
Denk niet Mijne Heeren! dat ik de Toon te hoog stelle. Alle Heeren Regenten zijn mijne goede vrienden. Ik Schrijv deze niet aan UwEd: als vriend, maar alleen aan UwEd: als Regenten van een Godshuis, tusschen welken en mij een accoord berust, het welk ik met anderen uit Uw naam heb aangegaan. En Gijl. zult mij dus excuseeren.
Ook zoude ik UwEd:, maar liefst mondeling, willen berichten, hoe elders de kinderen van eene goede behandeling, door wan betaling van den opziener, gepriveerd worden; voorheen gaf ik U daarvan kennis, omtrent Addink te Steenderen, maar dit is wederom een ander ................
31 July 1814
5 juli en 8 juli 1814: meer protestbrieven vanwege wanbetaling.
de Heeren Berntz en de Bruine
Hattem 31 July 1814
WelEd Heeren!
Het ongenoegen, dat ik hier met de menschen heb, aan wien de Kinderen besteed zijn is groot. Ik blijf dus insteeren op de promte betaling, die verschenen is; en daar mede zal UwEd mij een byzonder pleyzier geschieden en Regenten aan hunne verplichting voldoen.
Ik heb ontslagen op gisteren het weeskind Lena Poppelenbos. Haar eigen, maar arme Moeder te Nykerk woonende, heeft haar mede genomen. Zij was een ziekelijk Kind. Ik weet wel, dat ik dit buiten ulieder voorkennis niet vermogt, maar byzondere omstandigheden, waar over mondeling nader, vereischten dit.
Ik heb de Eer met de meeste achting naast Groeten te zijn
UwEd dw: dienaar & vriend
W. van Barneveld
20 Sept 1815
Hattem, 20 Sept 1815
Voor eenige dagen, heeft zich van hier geabsenteerd zonder zich aan mij ergens over te beklagen, of verlof te vragen Cristina Egeraards, van welke den tijd van 4 Jaaren reeds verstreken was, maar, daar zij klein van gewas is, voor haar geen dienst kon krijgen, schoon anders gezond en sterk. Zij heeft, in stilte ontweken, slegts een gedeelte van haare Kleeding medegenomen. Hier omstreeks is zij zeeker niet. Ik vermoede in Amsterdam, en misschien dus bij haar familie, die ik niet ken. Als volgens bericht eene Hendrik Willems op de Korte Princegracht zou van haare familie zijn.
10 Oct 1815
Hattem, 10 Oct 1815
Het alhier besteede weeskind Cristiena Egeraards heeft UwEd bedrogen. De lieden bij welke zij besteed geweest is, waaren goede menschen, en hebben haar niet weggezonden, maar zij is, ik weet niet waarom, weggegaan in Stilte. Zij heeft bij mij, bij wien elk kind gehoor krijgt, nimmer geklaagt. Zij heeft klederen en eeten genoeg gehad en heeft medegenomen
2 mutsen, een Zondagsche, en een daagsche
6 a 7 doeken
1 Borstrok
3 Jakken, als een nieuw, een halfsleten en een oud
2 Schordeldoeken, als een wollen, en een linnen
1 nieuwe gedrukte Rok
1 nieuw Hemd.
Zij heeft hier gelaten
3 mutzen, 1 ondermuts
2 doeken, 2 hemden en 1 Rok.
Dit alles is tot haar Dienst, en zal ik zenden, met de Schipper regelrecht van hier, om de minste post. Even zo min, als ik van dat meisje klagten tegen de menschen, waar zij besteed was, heb gehoord, even zo min heb ik tegen haar van die menschen klagten gehoord. Wat is derhalven de waare Reden van haare ontvlugting?...............
25 Jan 1816
Hattem 25 Jan 1816
............................
P.S. Alzo ik thans in Amst. ben in de Apotheek op de Princegracht by de Rheestraat, geve ik UwEd van myne tegenwoordigheid kennis, indien het nodig geacht wierd, om my personelijk te spreeken, wanneer aan myne invulling iets mocht ontbreken of bevonden worden onvoldoende te zijn.
16 Maart 1817
De WelEd: Heeren Regenten Hattem 16 Maart 1817
van het aalm: Weeshuis
te Amsterdam
WeEd: Heeren
Ik heb mij in de laaste Rekening verzonnen het welk veroorzaakt is, door dien ik, in July 1816 te weinig geagsigneerd hebbende, zynde f 12:10 voor een Jong nagekomen Kind Anna Maria Olhmeyer, waarvoor in Oct. het dubbelde geld ontvangen hebbende, ik nu dezelfde Som, ben blijven agsigneren, zonder dat ik daarop gedacht heb.
Hier nevens de Rek: Courant en een lijst der Tegenwoordige Kinderen, waarvan 'er met May afvallen, of tot minder prysen besteed worden.
Gelieft mij bij occasie te melden of door UwEd: of door mij aan de ontslagene Cristina Antonetta Finck, het ontslag f 18:18 betaald is? Ik vinde daar geen kwitantie van.
De kwitantien tot deze agsignaten behoorende zal ik vervolgens zenden, die nog niet allen betaald zijn. Van twee Kinderen met naame Antonetta Leergraag en Cornelia van Wijngaarden weet ik niets te maken. De eerste is zeer gebrekkig gegroeid, en zo is zij, uit het Huis gekomen. De andere blijft klein en is somtijds of 'er een van de vijf dwaalt en styfhoofdig. Mag ik deze beide als het kwartaal uit is, overzenden?
Ik heb de eer met de meeste achting naar Groete te blyven
UwEd: dw Dienaar en vriend
W van Barneveld
P.S. Gelieft mij te melden of ik in het verlopen Jaar 18:18 voor Anna Swaluwe geagsigneerd heb. Ik heb haar reeds ontslagen betaald.
24 Jan 1819
WelEd. Heeren Regenten van het Aalm: Weeshuis te Amsterdam.
Hattem 24 Jan: 1819
Weled: Heeren!
Ik heb de Eer UwEd. bij deezen kennis te geven, dat ik op UwEd. getrokken heb, blijkens deze Rek. Courant f 107:11:10 als mede het verschenen Kwartaal van 31 kinderen op 27 dec: 1818 en 7 Jan. en 16 dito 1819 verschenen. Met April aanstaande zal deze lyst, als 'er met de kinderen, geen verandering voorvalt, wel hetzelfde blijven, uitgezonderd Jacoba Lente die ik uitzet heb gegeven. Maar in de lyst, die dan volgen zal, komt 'er vermindering van Kostgeld en ontslag van anderen, die in Staat zyn , om de Kost te winnen.
Op de lijst der Kinderen onder mijn bestuur, die ik hier nevens zende, zal men, vergeleken met de beide vorigen f 122 minder vinden, alzo Anna Hasz, door haar Oom te Epe, overgenomen zijnde, daar van zedert is afgevallen.
Dit meisje had nog een vader te Groningen, zynde een Smit, diens broeder een gegoed man te Epe, heb ik het uitzet van f 18.18 voor Anna Hasz geweigerd. De Heer de Bruine zal zich herrinneren, dat ik in den afgelopen Zomer, met zyn WeEd. alhier dit besloten heb.
My mankeren gedrukte agsignatien, als Duplicaat. Ik verzoeke daar om by gelegendheid.
Onder myne Kinderen heb ik eenigen, die uitmunten in verdiensten, en welke ik wel eens ten mijnen kosten beloone. Maar 'er zyn 'er ander die wel een Nieuw Testament, een Psalm of gezang boek zouden willen hebben. Ik moet met tegenzin die afwijzen, met te zeggen, de Heeren geven dat niet, en dan denk ik aan Bybel en Zending genootschappen, om Heidenen te bekeeren, die nog niet eens spellen kunnen, veel minder de Evangelien kunnen leezen. De vraag is derhalven? Mag ik aan Cristengeboren Kinderen dit weigeren? Zo UwEd. zeggen: wij vermogen dat niet; dan zal ik het uit myn Beurs doen, aan die het verdienen, want ik weet wel, dat allen niet evenwaardig zyn, schoon allen, tot Cristenen en tot nuttige leeden voor de Maatschappij moeten gevormt worden.
Met de meeste achting, heb ik de Eer te blyven, en met verzoek van andwoord.
WelEd. Heeren!
UwEd: DW Dienaar & Vriend
W: van Barneveld
P.S. Hoe is het met Henrietta van Leyden, is dit Kind van de Hooftkwaal genezen dan kan zy te rug komen.
Ook is er een Jonge in t Huis met naame Jan Boskemper, een Broer van de alhier zynde Maria Boskemper. Willen de Heeren die Jonge onder myn opsicht stellen dan zal ik hem, uit agting voor het brave meisje nemen, mids hy in Boeren dienst wil gaan.
11 Maart 1819
WelEd Hrn Reg. van het Hattem 11 Maart 1819
Aalm: Weesh. te Amst.
WeEd: Heeren!
Uwe geëerde missiven 5 & 13 febr en van 5 dezer liggen voor mij ter beandwoording. Betreffende de eerste, diend, dat Jacob Stoltze, te laat gekomen zijnde, om voor de Militie Raad te verschynen, dit geheel buiten zyn & myn Sculd is, want deze brief is te laat gekomen, en de Reden daar van is, dat die door UwEd. of door den Heer Boekhouder te laat aan het postcomptoir te Amst. bezorgt is, in welk geval dusdanige brief een postdag blyft overleggen, en er agterop gezet word, met roode inkt na Posttijd. De daar op volgende twee dagen vertrok van hier over Elburg geen Schip om te vertrekken. Ik hoop derhalven, dat de Heeren zullen zorgen, dat dit geval niet influeren kan op de Jonge, te minder daarom, om dat Jacob Stoltze een mijner knapste, ijverigste Jonges is, zedelyk braaf en goed, de lof verdiend van elk die over hem gesteld is geweest, of nog is.
Nog iets moet ik, wegens het afzenden der brieven, die haast hebben, berigten: de brieven, die op Zeeland of Hollandsche Steden afgezonden worden van Amst. hebben de tyd tot des avonds voor half acht uuren, maar die naar Gelderland gaan, moeten vóór 5 uuren aan het Postcomptoir zijn besteld.
Belangende de tweede brief: Ik zal, met onzen vracht schipper van Hier op Amst., de vryheid gebruiken, om 12 Bybels te verzoeken en 'er geen geven aan een Kind, of het moet dit present waardig zyn. Is myne aanvrage te groot, dan schikken de Heeren anders.
Jan Boskemper is wel overgekomen. Hij is teer en na zyn ouderdom zeer klein. Ik heb hem bij het boerewerk evenwel geplaast, by knappe lieden. De Geldersche lucht kan hem wel wat uitzetten.
Henrietta van Leiden zedert 11 Oct. 1818 in Uw Huis opgenomen, zal ik, als zy genesen is, te rug verwachten. Alschoon de lyst, het zelfde gebleven is, zo had ik op het credit dien te veel ontvangen f 12.10 mede genoteerd, gelyk ik ook doen zal, voor het vervolg, tot den dag toe, dat zy retourneerd.
Aangaande Uwe derde missive van 5 Maart diend, dat ik zorgen zal, dat Johs Leertouwer vóór 23 Maart in het Huis is om te loten.
Het Post Scriptum van deze brief, zegt my, dat ik Jacob Stoltze, met het einde van dit kwartaal moet afschrijven. Dit zou buiten deze aanzegging toch geschied zyn, want hy is verhuurt, by een Bakker te Campen voor f 20 en de kost, en kan zyn bestaan daar in vinden, maar dit loon, ontvangt hy niet, voor en aleër dat hy hetzelve verdiend heeft. Als nu die Knaap van het uitzet f 18.18 verstoken blijft, dan is hy by anderen veel agteruit. Ik herrinner mij een gesprek, dat ik in den afgelopen zoomer, met Uw mede Regent de Bruine gehad heb, by welke gelegendheid, ik ontdekte, dat zyn vader door misdaden, gevonnist is. Zonder te willen treden, in de wetten van het Huis, zo verzoeke ik UwEd. om mij te veroorloven, dat ik zulk een oppassende Jonge Uwer barmagtigheid en menschenliefde aanbevele. Ik voormy sta in geen andere betrekking tot de gem: Jongeling, als verdiensten te willen zien belonen. Zijne ouders heb ik nooit gekend. Nog iets omtrent deze zaak. Zal de misdaad van een vader den Zoon worden toegerekend? Aan die Zoon, die daar door reeds buiten zijn Sculd ongelukkig genoeg is? Zal een misdaad, na de Israëlitische wetten worden gestraft, in het derde en vierde gelid? Neen, dit leert ons, onzen grootsten leeraar anders, als hij zegt: Dat ieder voor zich zelven verandwoordelijk is. Ten minsten ik voor mij renuntiëer van die Erfzonde.
Ik verzoek het vriendelyk andwoord en dispositie of besluit, omtrent Jacob Stoltze van de WelEd. Heeren Regenten, indien het mogelijk is, omtrent hem een uitzondering op de Wet te maaken of oogluiking te gebruiken. Zo niet dan taste ik mijn eigen Beurs.
Ik heb de eer met de meeste achting te zyn
UwEd. DW: Dienaar & vriend
W: van Barneveld
6 Apr. 1819
De WelEd. Heeren Regenten van het Aalmoeseniers Weeshuis te Amsterdam
Hattem 6 Apr. 1819
WelEd: Heeren!
Gelieft, ingevolge Uwe vriendelijke aanbieding, met deze Schipper, die nu en dan van Hattem op Amsterdam vaart, de toegezegde Bybels mede te geven. Hij is liggende op de Geldersche Kaaij, by de Schreijers tooren. Ik verzoek UwEd., die by één gepakte zynde, te verzegelen.
Ben met de meeste achting
UwEd: d.w. Dienaar
W. van Barneveld
8 April 1819
WelEd. Heeren Regenten van het Aalmoezeniers Weesh: te Amsterdam
Hattem 8 April 1819
WelEd. Heeren!
Hiernevens, met Jacob Stoltze de doopcedul van Jan Herms Burgmeijer. NB het onderhaalde is een van, die zijn familie op last , in de fransche tijd , heeft moeten aannemen. Zijn bedrijf is Daglooner. Deze zal dus met Elizabeth Polhuis zo dra Consent komt, kunnen worden ingetekend.
Ik verzoek deze doopcedul, als een Eigendom van die Perzoon te rug, of als UwEd: die moeten houden is hem om t even tegen restitutie van 132 St.
Ik heb de Eer met achting te zijn
UwEd. Dw Dienaar
Zie agter W van Barneveld
Een weesmeisje Anna Phluger heeft zedert een a twee Jaaren toevallen van zenuw ziekte, bestaande als dan in bewusteloosheid. Deze toevallen worden menigvuldiger, schoon ik haar een en ander middel daartegen gegeven heb. De vraag is dus: wat met dit meisje te doen? Zal het meisje door mij aan de Heeren te rug gezonden worden. Ik heb in t vorig Jaar daar over, zo ik meen mij uitgelaten.
20 April 1819
Hattem 20 April 1819
De WelEd Heeren Regenten
van het Aalm: Weeshuis te
Amsterdam.
WelEd. Heeren!
Voor tien dagen zonde ik UwEd. het door U gerequireerde van den Persoon, die met Elizabeth Polhuis, in 't huwelijk zou treeden en verzocht om van UwEd. te mogen ontvangen, het geen nodig was, om die menschen te kunnen laten trouwen. Ik verzoek Uw andwoord en het geen daar bij nodig is, om de begeerte van die Gelieven te voldoen. Tot nog toe heb ik dit en de beloofde Bijbels niet ontvangen.
Eerst daags zal ik op UwEd. trekken en tevens vermelden, welke er na 1 Maij aanstaande voortaan uitvallen, en uitzet bekomen hebben.
Ik heb de Eer met de meeste achting te zijn
WeEd. Heeren! UwEd. dw dienaar
W. van Barneveld
10 Augusti 1819
De WelEd Heeren Regenten Hattem 10 Augusti 1819
van het aalm: Weeshuis
te Amsterdam.
Mijne Heeren!
Met eene voor mij gevoelige aandoening moet ik UwEd. bekend maaken, met een ongeluk, dat de Jongeling Jan Boskemper, naar 6 a 7 maanden, door U aan mij vertrouwd, is overgekomen. Hij is verdronken in den Stroom van den IJssel. Te Zalk was hij bij knappe lieden besteed. Zij betreuren hem, en ik met hen, want het was inderdaad een vlug kind niet alleen, maar ook een hupsche jonge. Zijne Zuster Maria Boskemper, die ook onder mijn bestuur is, treurd en schreit bittere tranen, omdat ook zij aanleiding gegeven heeft, dat Jan hier zou koomen.
Hij heeft zich, tegen de wil het bevel van zijn boer, onder Kerktijd, met 10 anderen gaan baden, en is van zijne onvoorsigtigheid het Slagtoffer geworden. Ik heb Hem, nadat hij des anderen daags was wedergevonden, doen begraven, de kosten daarvan, 7 à 8 gulden stel ik op Rekening mijner Jaarlijksche voorschotten.
De ondeugende Meid Maria Blij, die weggelopen is, en van welke ik UwEd. voor een geruimen tijd kennis gegeven heb, dog niet het minste andwoord heb ontvangen, kan ik tot hier toe niet ontdekken: alle nasporigen zijn vruchteloos. Ik denk dat zij in Amsterdam bedeldt, of in een Hoerhuis is. Tot welk laaste zij anders geen aanleg had. Zij was meer brutaal, oneerbiedig en luij, als wulpsch.
Ik geeve UwEd. kennis, dat ik eerstdaags op U trekken zal, het op 27 Junij, 7 Julij en 16 dito verschenen kwartaal, volgens inleggende lijst. Ik heb de eer met achting te blijven.
WelEd. Heeren!
UwEd Dw. Dienaar
W. van Barneveld.
6 Nov 1820
De WelEd Heeren
Reg. van het Aalm. WH Hattem 6 Nov 1820
te Amsterdam
WelEd Heeren !
Ik vinde mij in de vervulling van mijn plicht genoodzaakt, om aan UwEd: te rug te zenden en UwEd. te verzoeken, in het Huis te rug te neemen een Meisjen met naame Anna Henke.
Dit meisje gaat van den eenen op den anderen deserteren van den eenen op den anderen, en ik zie geen kans om haar te negeren; want waar ik haar zou willen besteden, ben ik bij die haar heeft, altoos in onzekerheid.
Bij haar zelve is de schuld zo groot niet, (het is een kind) oordeeld niet. De schuld is bij menschen, die haar deboucheren, en opstoken, en waaraan zij geattacheerd schijnt te zijn.
Ik heb een persoon moeten neemen, om haar te verzellen, ten einde zij zeker in het Huis komt.
Ik heb de Eer te zijn
UwEd. D.W. Dienaar
W van Barneveld
20 Nov 1821
Aan de WeEd Heeren Regenten van het Aalmoeseniers Weeshuijs te Amsterdam
Hattem, 20 Nov 1821
WelEd. Heeren!
Maria Marcelis besteedt te Wapenvelde (dorp onder Heerde, ten Zuiden van Hattem), en verstaande Boerenwerk, is bedrogen door een knaap aldaar. Zij heeft dit getragt voor mij te verbergen, zeggend dat zij niet geregeld de Menstrua had. Daar ik op haar eenig wantrouwen vestigde, gaf ik haar iets ter genesing, dat noch goed of kwaad kon. Eindelijk kwam zij op mijn aandrang, tot belijdenis, dat zij gemeenzaamheid gehad had, met een Jonge; Deze door mij ontboden zijnde, wil haar niet huwen en zegt: Ik heb het alleen niet gedaan, zij is ook door anderen bezogt. Het kan UwEd. niet onbekend zijn, dat in Rechten, zo als die thans, na de Fransche wet nog plaats heeft, niets te avanceren is.
Zij moet in January of February in de kraam. Wat moet ik nu in dezen doen, om voor te komen, dat zij niet ongelukkiger word en vooral het nog ongeboren vruchtjen, dat zij draagt?
Uw besluit op dit onderwerp te verneemen, zal aangenaam zijn, aan mij, (het welk ik, zo spoedig mogelijk is, verwagte,) die zich noemt
WelEd. Heeren!
UwEd: D.W. Dienaar
W. van Barneveld
P.S. Zij zegt, dat zij nog een eigen moeder heeft, die in Nijmegen zou woonen, maar weet geen naam, woonplaats etc op te geven.
29 Nov. 1821
de WelEd; Heeren Regenten Hattem den 29 Nov. 1821
van het Aalm: Weeshuys
te Amsterdam
WelEdele Heeren!
Geertruy de Wijs is bij mij geweest, en heeft mij bekend gemaakt, dat zij in de Kraam moet, van een boere knegt, en dat die bereid is, om met haar te trouwen. Het is hier een vrugtbaar land, maar dat zal dan nu noch beter uitvallen, als met Maria Marselis over welke ik UwEd: voor eenige dagen geschreven heb, en op welke brief ik UwEd: andwoord noch ben wagtende.
Hoe spoediger dit trouwen van Geertruy de Wijs nu aangaat hoe beter, dan kan ik haar, haar uitzet geven, maar daartoe heeft zij nodig, de nodige documenten, welke aan UwEd: bekent zullen zijn. Gelieft mij die dan te zenden.
Zedert mijn laatste brief is er een Meisje met name Adriana Smeulink, welke door mij in Mei laastleden ontslagen is, en haar uitzet ontfangen heeft, in een ongelukkige toestand geraakt. Zij heeft een beroerte gekregen, en ik vrees dat zij aan de eene zijde lam zal blijven. Ik heb daar zij als Weeskind hulpeloos zoude zijn, een doctor voor mijn rekening gezonden; indien dit meisje al eens mogt herstellen, zal dit een langduurige tijd vereischen. Zij is altoos een goed meisje geweest, en tot last van de gemeene alhier kan ik haar niet brengen; zij is in Junij 1813, toen zij bij mij is aangekomen 10 Jaaren oud geweest; en heeft haar uitzet bij mij zelfs gevraagd. Maar nu word zij buiten haar toedoen ongelukkig. En moet haar Uwer liefde en goedgunstigheid aanbevelen; indien zij gezond gebleven was, kon zij bij den boer Hendrik Visser, die haar met al de zorg en liefde behandeld, de Kost en Kleding gewonnen hebben. Ik heb haar noch niet zelfs kunnen bezoeken, door mijne ongesteldheid maar hoop dit eerdaags te doen. Intussen neem ik de Vrijheid om UwEd: te vragen hoe ik met dit meisje aan moet? Zou zodanig meisje, als het lang duurde, ook noch wederom in het huys kunnen komen? Of in eene andere wijze eenig Soulaas van het huys kunnen krijgen?
Uw vriendelijk andwoord, gelijk op mijn vorige, en de papieren Geertruy van de Wijs met Verlangen inwagtende,
Heb ik de Eer met Achting te zijn
WelEd Heeren!
UwEd: dw dienaar!
W. van Barneveld
PS. De zuster van Adriana Smeuling met naame Magdalena Smeuling woond bij den Heer W. Alewijn, in de Stads Bank van Lening.
30 Jannuary 1822
Hattem den 30 Jannuary 1822
WelEdele Heeren !
Hier Nevens heb ik de Eer te zenden, eene nota van het Kwartaal en deze maand Jannuary verschenen, getekend Nr 1. Alsmede twee onslag briefjes van Geertruy van de Wijs. En Elizabeth Messing, welke beide nu voortaan van een volgende lijst afvallen. Alsmede de Rekening courant over het afgelopen Jaar, waaruit blijkt dat mij competeerd de som van Een en tagtig Guldens Zes Stuivers en agt penningen, voor verschot. En voor het verlopen Kwartaal vier en tagtig guldens tien stuivers te zamen bedragende Honderd vijf en Zestig Guldens vijftien stuivers, agt penningen. Waarop ik de vrijheid zal neemen agsignaten aftegeven.
Ik heb zoals UwEd bekend is, den 19 Julij des vorigen Jaars aan Uwed overgelegd, voor agt ontslagene kinderen van f 151 ,, 4. Ik heb deze niet in deze rekening gebracht, omdat ik de som ontfangen hebbende, oordeelde buiten deze rekening te moeten laten. Voorts vind ik mij verpligt, om aan UwEd: te berigten dat Anna Maria Olhmayer, thans door mij besteed, telkens bij een ander, nu reeds driemaal, zich schuldig maakt aan dieverij, welke zo het schijnt niet te kunnen nalaten, waardoor ik ligt wel, in de verpligting zal komen, om dit meisje al wederom bij een ander te besteden. Zou het derhalve niet beter zijn dat de Heeren Regenten dit kind terugnamen in het Huys? Want zij kan naauwlijks iets zien liggen, of zij benadert hetzelve, als zij daartoe gelegentheid heeft. Hierop een Andwoord inwagtende, Heb ik de Eer met de meeste agting te zijn.
WelEdele Heeren
UwEdDwdienaar
W. van Barneveld.
10 Augustus 1822
WelEdele Heeren Regenten van het Aalmoeszeniers Weeshuis te Amsterdam
Hattem den 10 Augustus 1822
Weledele Heeren!
Hier nevens is ingesloten de lijst van het derde Kwartaal, zijnde slechts vier Kinderen, welke nu nog onder mijn bestuur zijn behalve die geene welke nu hun eigen kost kunnen winnen, maar nog kleeding behoeven en dus van het A: W: huis niet kunnen ontslagen worden; ik zal op de penningen zijn de F 301 -10 bij gelegendheid agsigneren.
Het meisje Geertruy Chaudron is voor veertien dagen geleden, ongelukkig geweest om haar arm te breken. Ik heb dien arm, door een deskundigen laten zetten, zij draagt haar arm in een band, zij kan niets verrichten en heb haar besteed , op de minst mogelijke wijze; indien de geneezing daarvan goed uitvalt, zal zij vervolgens in staat zijn haar eigen brood te kunnen winnen.
Indien zij niet tot volkomen geneezing komt, zal zij tot het huis moeten komen.
Nu nog een woord ten aanzien van Adriana Smeuling; dit meisje heb ik zedert 1 April dagelijksch Electikseert, en ik heb haar zo ver gebragt, dat zij kan gaan en een a twee uuren lang in beweging blijven, zij kan haar hand ook aan den mond brengen, maar met al mijn kunstvermogen kan ik de vingers van haar linker hand, tot hiertoe niet in staat stellen, dat zij in staat is iets aantevatten, ten minste niet vast te houden. De Heeren Regenten hebben mij toegestaan, schoon zij ontslagen was, van het huis, om haar te besteden, die genezing, indien ik konde te voltooyen. Ik geef dan op dit moment daarvan kennis, om dit verder toetestaan, en verzoeke daarop andwoord, hoedanig ik, in dit stuk verder moet handelen, want ik zou niet gaarne ten aanzien van het kind, dat reeds ontslagen is, willen te werk gaan, zonder consent van de Heeren Regenten; in verwachting van andwoord, op het een en ander, heb ik de eer met alle agting te zijn
UWelEdele diensw: dienaar
W van Barneveld
21 October 1822
Hattem den 21 October 1822
Weledele Heeren!
Ik zende UEd: eene nota van het 4 kwartaal groot f 25:-:- Als zijnde twee meisjes in het kostgeld vermindert; ik zal de vryheid gebruiken, om bij gelegentheid daar op te agsigneren, mijn uitschotten van twee ontslagene kinderen, zal ik nevens mijne andere verschotten, met nieuwjaar aanstaande, zo als ik het hier toe gewoon ben geweest, in jaarlyksche rekening brengen.
Aangenaam was mij uwe missive van den 17 Augustus welke ik reeds gedeeltelyk beandwoord heb, door het toezenden van Geertruy Chaudron, ik blyf verlangende te mogen weten, of dit meisje genezen zal of niet? Haar arm toen zij van hier vertrok, was in de elboog stijf, en ik heb in myn vorige gezegd, dat ik vreesde dat dit meisje niet goed behandeld was; ik verzoek UwEd: nogmaals om berigt, zij heeft mij zedert een brief geschreven, of laten schryven, en bid mij dat zij wederom hier mag komen, doch dit meisje kent hare eigen belangen niet, want zonder werken, kan zij hier aan de kost niet komen. Ik verblyde mij dat ik haar niet ontslagen heb, en houde mij van uwe goedwilligheid verzekerd, dat zij in haar ongeluk door UwEd: niet zal worden verlaten; schoon zij in haar brief aan mij, liever terug zou willen komen. Ik verzoek UwEd: haar deeze inleggende brief die ik open gelaten heb ter hand te stellen. Met betrekking tot A: Smeulink, omtrend welk UwEd: de goedheid gehad hebt, mij autorisatie te verlenen, om haar alhier op de minste wijze te besteden, geduurende nog 6 maanden, dient om UwEd: te berigten, dat ik zedert dien tyd met dat meisje tot haare herstelling met het Electriseren weinig gevordert ben, zij is gezond en kan haar arm aan de mond brengen, maar hare vingers in geene willekeurige beweging, waar dit met haar heen moet, weet ik niet, en houde mij overtuigd dat het voor UwEd: een moeyelyk geval is. Bij deze gemeente kan zij niet onderhouden worden, en wensche gaarne deswegens, indien er by U meer gevallen van dien aard mogten plaats gehad hebben, nader ingeligd te worden, want ik begin te vresen, dat ik haar niet volkomen zal kunnen herstellen.
Ik heb de Eer met de meeste Achting te blyven
WelEdele Heeren
UwEd d w dienaar
27 Dec 1822
Hattem den 27 Dec 1822
De Heeren Regenten van
het Aalmoeseniers-weeshuis
te Amsterdam
WelEdele Heeren!
Het reeds afgeschrevene weesmeisje Maria Marcelis, onder mijn opzigt geweest zijnde, heeft mij verzocht alzoo Zij in het huwelijk zal treden om van UwelEd: te verzoeken, uwe toestemming tot hetzelve, als mede haar doop cedul en het geen daartoe verder nodig is.
Dit zelfde verzoek doe ik ook ten aanzien van het nog onafgeschrevene weesmeisje A:F: Vink, hetwelk insgelijks in het huwelijk zal tréden. Zoodra dit laatste huwelijk voltrokken is, zal ik haar afschrijven, en het uitzet van 18-18-" geven.
Beide verlangen het bovengemelde zoo spoedig mogelijk te ontvangen. Ik heb de eer met alle achting te zijn.
UwelEd: Dw: Dienaar.
W. van Barneveld.
PS. dit laats gemelde meisje heeft nog een grootmoeder in Amsterdam. Zou het ook nodig zijn, indien die vrouw nog in leven is, gelijk A:F: Vink meent, haar toestemming tot dit huwelijk te vragen?
Zoo niet, zou het voor haar gemakkelijker zijn te kunnen trouwen. Mij aangaande zou ik oordeelen, dat Uwe toestemming genoegzaam was, doch dit laat ik aan Uw beter oordeel over.
Ik sluit hierin een brief aan gemelde Grootmoeder, die ik opengelaten heb, met verzoek om dezelve te doen bezorgen.
4 Januarij 1823
Hattem den 4 Januarij 1823
WelEdele Heer!
Uw brief in dato 2 dezer, heb ik ontfangen en zal het gerekwireerde omtrend Maria Marselis en A:F: Vink met de eerste gelegendheid bezorgen.
Op dit moment ben ik daar toe noch niet in staat, alzo haare aanstaande bruidegoms buiten dezen Stad wonen.
Het is van meer belang uw WEd: indachtig te maken, dat de WelEdele Heren Regenten in het vorig jaar, zo het mij toeschijnt Salomo Okkerse verzuimt hebben, op de lijst der lotelingen voor de concriptie te plaatsen, waar om hij dan ook niet geloot heeft, wel te Amsterdam geweest en weder herwaarts gezonden is, om dat hij de ouderdom noch niet had. Die jongeling klamt mij sterk aan, om te willen loten, niet zo zeer om dat hij soldaat wil worden, maar om dat hij, als loteling een maal zijn vrijstelling wil hebben. Ik neem de vrijheid Heren Regenten aan dat geval, waarvan de notulen wel iets zullen vermelden te herrinneren. Want ik zou niet gaarn zien, dat deze knappe jongen, geheel buiten zijn oogmerk, en vooral geheel buiten zijn toedoen No 1 kreeg, en ik geloof dat het thans de tijd is, om daartegen te zorgen.
Namenzamen groete met Achting heb ik de eer te zijn
WelEdele Heer!
UwEd dw dienaar!
W. van Barneveld
5 Januarij 1823
Hattem den 5 Januarij 1823
WelEdele Heer!
Ingevolge uwe aanvrage van 2 dezer, zende ik UEd: de namen door UwEd: gevraagd, de persoon welke met Maria Marcelis gaat trouwen, is Gerrit Drajer dagloner wonende onder Hattem. En de persoon welke met A:F: Vink zal trouwen is genaamt Joost Duim wonende onder het Oldebroek. Gerrit Drajer en Maria Marcelis zal trouwen te Hattem, en Joost Duim met A:F: Vink in het Schout Ampt Oldebroek. Gelieve indachtig te zijn, dat de Schout van het Oldebroek bij het voltrekken van het huwelijk begeerd, een bewijs dat de Heeren Regenten de magt hebben, om toestemming tot het huelijk te geven, waartoe een legaligatie van Heren Burgemeesteren van Amsterdam voldoende is, gelijk dat noch eens in het vorig jaar is gebeurd.
Ik heb de Eer met alle achting te zijn
UE dW Dienaar!
W. van Barneveld
3 February 1823
De WelEdele Heeren Regenten van het A. Weeshuys te Amsterdam.
Hattem 3 February 1823.
WelEdele Heeren!
In gevolge van uwe geëerde van den 28 Januarij zende ik Jan van den Nieuwenhoff brenger dezes, alzo hij overland moet marcheren, en twee nagten onder weg blijven, heb ik hem mede gegeven drie gulden reisgeld. Waar van UwEd: dan ook kunt opmaken, hoe veel hij tot zijn terugtogt nodig heeft. Twee jongens met name Fredrik Bredeke, en Hermanus Klok, die beiden mede tot het huijs behoren verzellen hem, ten einde aan hunne verplichtng te voldoen, doch deze behoren onder mijn directie niet, echter beveel ik hun beide Uwer goede gunsten aan, in zonderheid ook tot het terug bekomen van reisgeld.
Ik zende hier nevens de rekening courant van het afgelopen jaar 1822. Als mede de lyst van Kinderen, die noch onder mijn behering zyn. Ik heb de som op de aan UwEd: afggeven agsignatie bij een getrokken, om geen dubbelde zegels te gebruiken. Aan A:F: Finck heb ik de f 18-18- noch niet gegeven, om reden dat ik haar eerst getrouwd wil zien, en zal dus in eene volgende rekening over 1823 komen.
Ik heb op bovengemelde rekening courant, ook niet gebragt het wekelyksche kostgeld van Adriana Smeulink, om dat ik meen dat UwEd: die rekening liefs afzonderlyk zoudt begeren, alzo het eene weldaad is, door UwEd: buitegewoon toegestaan.
Omtrent dit meisje moet ik thans een woord spreken: ik moet met leedwezen bekennen, dat ik haar na een halfjaar lang aanhoudend, geëlectriseert te hebben, niet verder brengen kan met haar rechter hand, waardoor zij buiten staat blyft om de kost te winnen; ik mag van Uwe goedheid om haar hier in de kost te besteden, ook geen verder misbruik maken, maar ik heb haar thans besteld, om aanhoudend de catechicaten van een onzer Predikanten, als ook voor mijn eigen rekening een leermeesteres te geven; zij leert dus haar belydenis te doen, met veel yver. Ik vleye mij als zij in staat is om op Paasche haar belydenis te doen, dat ik haar, in een bestedeling huys kan krygen, van ons geloofs genoodschap. Is het dat UwEd: met het kostgeld te geven, wilt uitscheiden dan blyft zulks, na deze dag voor myn rekening. Hier op verzoek ik uw andwoord, en ik zal UwEd: dan de rekening van myn verschoten kostgeld geven, het welk niet boven de f 2:- per week zal bedragen, want het geen de kleding aangaat etc: dat neem ik voor myne rekening.
Ik zal de f 80-14- op UwEd: trekken, doch gelieft my spoedig te melden, indien 'er eenig defect in de rekenng mogt zijn.
Ik heb de Eer met de meeste achting te zyn
WelEdele Heeren!
UwEd dw dienaar
W. van Barneveld
26 Maart 1823
de WelEdele Heeren van het A: Weeshuys te Amsterdam
Hattem den 26 Maart 1823
WelEdele Heeren!
Ingevolge van uwe missive van den 15 dezer, zend ik Uwed: de ?? van Salomon Okkese, die voor de Militie Raad op den 1 April moet verschijnen. Voorts dient op uwe missive van den 1 dezer dat ik aan Willem Kuiper bij gelegenheid, alzo hij thans 6 uuren hier vandaan woont, zal overhandigen uit Ulieden naam het gedrukte ontslag, met de aanbevelingen aan hem daar in vermeld; terwijl ik tot mijn genoegen uw kan zeggen, dat de jongen zich verdienstelijk maakt. Ik bedank UwEd: wegens uwe goede ondersteuning, ten aanzien van A. Smeulink, want zij is inderdaad ongelukkig, en moet ondersteunt worden, en ik zal aan UwEd. nader het kostgeld opgeven. Zij zal in de maand April belijdenis doen, van de Gereformeerde Godsdienst, en voorts aanbevolen worden aan haar zuster, die bij de Heer Alewijn woont, te Amsterdam. In andwoord aan uwe missiven mede op 1 Maart aan mij afgezonden zal ik compleet voldoen, namentlijk dat ik zal afgeven, en betalen, het ontslag der 4 kinderen als, A.F.A. Finck, Jansje Kras, Johanna Fint; en Dirkje Speelziek. Waarbij ik zal voegen, in mijn rekening verdere verschotten van briefporten, en ik zal bij die gelegentheid verzoeke, eene verklaring van ontslag geduurende mijn directie gedaan, van de Heeren Regenten. Hier mede heb ik de Eer te zijn.
WelEdele Heeren
UwEd dW dienaar!
W. van Barneveld
27 Mei 1823
De Weled Heeren Regenten
van Aalmoes Weeshuis Hattem den 27 Mei 1823
te Amsterdam
WelEdele Heeren!
Ik heb aan Willem Kuiper overhandigt het aan mij gezondene getuigschrift, met het daarin verwachte vooruitzicht voor hem om na verloop van twee jaren een premie van f.25 te kunnen ontvangen en mij verzocht heeft UwelEd: uit zijn naam te bedanken. Ik zie dan nu ook nog te gemoete vier zoodanige getuigschriften t:w: voor Dirkje Speelziek, Jansje Kras, Johanna Fint en A: Vink, allen in dit jaar ontslagen. Tot nog toe weet ik op haarlieden gedrag niets te zeggen. Even zoo min als op W: Kuiper, welke ik voor eenige dagen personnel gezien en gesproken heb. Hij is wagenmakersknecht te Nunspeet.
Mijne jaren, ziekelijke omstandigheden zullen ligt wel mij niet toelaten, om volgende getuiggenissen te geven, doch dit kunnen mijne dochters wel doen, als zulks nodig is, en ook kunnen anderen dit doen. gelieft boven gemelde getuigschriften aan mij niet te zenden direkt, met de post, het port is te groot; zend die aan den Heer A: de Roij op de Prinsegracht, het tweede huis van de Roosegracht, over de Westermarkt, op dat ik die, bij gelegendheid ontvange, bij insluiting van andere papieren.
Ik blijf mij refereeren aan mijn vorig verzoek om te ontvangen van UwelEd: eenige decharge hoe klein ook; dat ik mijn pligt heb volbragt, in de Commissie, waarmede het A: Weeshuis mij vertrouwelijk heeftwel gelieven te verëeren.
Ik heb de Eer te bedanken voor de onderlinge goedkeuringen, die bestendig tot den einde toe tusschen mij en de Heeren Regenten, in een tijd van dertien jaren plaats gehad hebben. De moeite, de zorg, het overleg en Ja ook de mishandeling, die aan kinderen gepleegd wierden, of ook wel door kinderen wierden te weeg gebragt, zullen mij, tot een waarborg blijven voor mij zelven, ten verantwoording van hem, die de harten der mensschen kent.
Ik heb de Eer met de meeste achting te zijn
UWelEd: Dw: Dienaar.
W. van Barneveld
20 Julij 1823
Aan de WelEdele Heeren
Regenten van het A: Weeshuys
te Amsterdam
Hattem de 20 Julij 1823
WelEdele Heeren!
Ik heb de getuigschriften, aan de kinderen, die ontslagen zijn wel ontfangen, en ook uitgedeeld, en verzoek dat aan het huys van de Heer de Roy word bezorgd, een exsemplaar daarvan, in blanco, tot onderrichting in den tijd, voor mij te mogen ontfangen, met opschrift om dit bij gelegentheid aan mij te zenden. Ik heb inderdaad bewondert, de dispositie, welke Heren Burgemeesteren van Amsterdam, ten aanzien van Uwe Weeskinderen genomen hebben, Ja ik hegte mijne goedkeuring daaraan, het is eene aansporing voor de kinderen om zich, deugdzaam te gedragen, waarin elk rechtschapen mensch zich zal verheugen.
Ik vinde echter voor mijne, noch 6 laaste kinderen, die dit Dieploma hebben ontfangen, eene zwarigheid, die ik de vrijheid neem, UwEd: onder het oog te brengen, dat zij lieden verplicht zijn, viermalen in de twee jaren, zich te moeten vertonen aan Uw kantoor; de meeste van die kinderen kunnen geen permissie krijgen, van hunne boeren, daar zij werken; en wat meer is, elk van hun moet ten minste naar Amst: reisende / 3. verteren eerdat zij terug komen. Ik vraag dus of hunne, of haare vertoning niet zou kunnen vervangen worden, door een getuigenis vanhier aftegeven, door een predikant, door mij, of door een bevoegd Burgemeester, of geloofwaardig persoon etc.
Hier op Uw vriendelijk andwoord in wagtende heb ik de eer met alle hoogachting te zijn
WelEdele Heeren!
UwEd Dw dienaar
W. van Barneveld
9 Augustus 1823
Weledele Heeren Regenten
van het A. Weeshuys
te Amsterdam
Hattem den 9 Augustus 1823.
WelEdele Heeren!
Uwe geëerde van den 30 Julij, geeft mij de nodige inlichting, omtrend de kinderen, die de bewuste premie kunnen trekken, zijnde volgens Uwe geëerde van 3 Juny. Anna de Beer, A.F.A. Fink, Jansje Kras, Johanna Fint, Dirkje Speelziek. Bij Uwe geëerde van den 22 ste April 1822, heb ik ontvangen 3 Certificatien, en ik zal voor die 5 kinderen, er 20 moeten hebben, geliefd de goedheid te hebben, om mij alzo, noch 20 stuks te doen toekomen, en dezelve te bezorgen bij de Heer A. de Roij in de Apotheek te Amsterdam, met verzoek, om die bij gelegenheid in te sluiten, en alzo het port te vermijden.
Ik heb de Eer met alle achting te zijn
WelEdele Heeren
UwEd Dw dienaar!
W. van Barneveld
28 April 1824
Hattem den 28 April 1824
De WelEdele Heeren Regenten van het Aalm: Weeshuys te Amsterdam
Weledele Heeren!
Het voormalig Weeskind Johanna de Beer verzoekt de toestemming als ook haar bewijs van geboorte, of doopcedul zynden Luthers. Zij wenscht in het Huwelyk te treden met Hendrik van Munster. Een boere zoon. Wees zo goed om mij die stukken toe te zenden, tot het huwelyk nodig.
Ik neem deze gelegentheid waar, om UwEd: te vragen, of er onder de zes kinderen, met name Wm Kuiper, Dirkje Speelziek, Jansje Kras, Alida Vink, Johanna Fint, Anna de Beer, zich bevinden die op Meij aanstaande de Premi van f 25 kunnen ontfangen, zo ver mij bekend is, zullen de getuigenissen van hunlieden voldoende zijn. Gelieft mij dan tevens te melden, of die kinderen in persoon moeten verschynen voor de Heren Regenten, en zo ja, wanneer?
Ik heb de Eer met alle achting te zijn
WelEdele Heeren
UwEd Dw dienaar!
W. van Barneveld
8 Novemb. 1824
Hattem den 8 Novemb. 1824
Weledele Heeren!
Hier nevens heb ik de Eer UwEd: toetezenden 5 Stuks verklaringen, zo als die om het half jaar aan UwEd: moeten worden afgezonden. - Geliefd nij van de goede ontfangst te acceerseren met een briefje aftegeven aan deze Schipper, die dezelve brengt. Of aan de Heer A: de Roij over de Westermarkt op de Prinsegragt, die hetzelve dan insluit, maar dan zo spoedig mogelyk.
Ik heb de Eer met alle achting te zyn
Per order myn vader
Wm van Barneveld