Dodewaard van voor de Tweede Wereldoorlog
Geboorteplaats van de familie Huiberts aan de Waalbandijk.
Mijn moeder Alida was geboren in Dodewaard als dochter van een visverkoper (familie Boone). Mijn vader Hendrik was geboren in Kesteren, gem. Opheusden als zoon van een rozenkweker. Vader en moeder hadden zeven kinderen t.w. Katrines, Hendrika, Cornelis, Geurt, Alida Willemina, Hendrik en Peter .
Dodewaard in de Betuwe ligt tussen Tiel en Nijmegen aan de rivier de Waal en was een zeer welvarend dorp.
Bedrijven
Er waren verschillende bedrijven zoals de conservenfabrieken (o.a Geurts-Vinks conserven, de appelstroop- of Kroetfabriek (Hulstein) en de steenfabrieken De Hoge Waard (v.d. Loo) en De Zaaier (Blitterswijk).
Ook waren er de kleinere sigarenfabriekjes van Huiberts en Gijsbers. Er was het scheepsbouwbedrijf van Hendriks. Veel werknemers kwamen van buiten het dorp. Het was er welvarend en bedrijvig.
Een overzicht van andere bedrijven die ik mij kan herinneren:
De bakkerijen Van Aalst, Mathijssen, Lazet, Zwijnen, Binsbergen, Van Drempt en Pitlo.
De drie slagerijen van de vader en zonen Van Doorn en Willemsen. Ook waren er toen nog huisslachters bij. Een varken mocht je toen nog zelf slachten en het spek en de worst werd nog heerlijk gerookt .
Ook kruidenierswinkels waren er genoeg. In de achterhoek Remmerden en in het dorp en buitenaf Zandwijk, Haka Aalbers, Piet Vermeer, Pitlo, Blitterswijk, Antoon van Soest en Schuiling (onder aan de Dijk bij de Openbare school. Een paar kruideniers verkochten ook brood.
Huiberts, de laddermaker, maakte speciale lange ladders met 45 sporten voor de hoge fruitbomen.
Er waren de timmermansbedrijven Hoogakker, Van Dorland (de koeters) en Van de Pla; het metselbedrijf van de gebroeders Derksen en twee schildersbedrijven van Louters.
De dorpscafe’s van Jan Meeuwissen, Hent Lazet, Getje van Aalst, Fintelman en Karel Hendriks met het Veerhuis aan de dijk.
Hotel en herberg “De Engel” aan de dijk en het water de Strang, was ook erg bekend en speciaal voor reizigers op doortocht
Er waren twee petroleumboeren: Van Dodeweerd met paard en wagen en Udo, die nog heel ouderwets rondging met een hond onder de kar.
De schoenmakerijen van Bep Breda en Gerrit de “Bobbert”, textiel kon je kopen bij de winkel was Blijderveen.
De melkventers waren Piet van Beem en Tutje van den Brink, maar ook bij de boeren kon je ook melk kopen aan huis.
Hoogerbeets, Gijsbers, Roodbeen (den Dreef) en Dries van Ingen waren de kappers.
Je rijwiel kon je laten herstellen bij Rijwielherstellers Hent Dhamen en Jan Need en de Rijwielzaak Gidding, maar ook bij de smederij van Hanje Dhomen (hoefsmid Elias).
Vervoer werd geregeld door de taxibedrijven Schuilng en Dhomen.
Post kon je verzenden op het postkantoor door Louietje Gerritsen. De laatste directeur was Van Wijk.
Er waren nog veel meer kleine zaakjes, maar deze kan ik mij nog van heel vroeger herinneren. Opgeschreven speciaal voor de mensen die de geschiedenis van de familie en hun dorp willen ophalen.
De gemeente
Dodewaard had een eigen gemeentehuis. Burgemeester was Jan de Hartog. Ik was bevriend met zijn zoon Jan, die bij mij in de klas zat. De burgemeester was een echte jager. Vaak hoorde je hem schieten op eenden in het natuurgebied tegen over de oude sigarenfabriek. Je kon hem altijd herkennen aan de jagershoed en de pijp in de mond.
De gemeentesecretaris was Willemsen uit de Hiensestraat (later de kerkstraat). Ook de gemeenteraadsleden waren bekend in de gemeente, net als de gemeentebode.
De politieagenten in mijn tijd waren Van de Haar en Dijkhorst. Deze laatste had veel weg van bromsnor van Swiebertje.
Er waren in de loopt van de tijd verschillende huisartsen: dr. van Epen, dr. Sleeswijk en dr. Cornet.
School, kerk en vereniging
Op de openbare school hadden wij hoofdonderwijzer meester Koldewijn, meester Jonkers en monseigneur Klootwijk en de leraressen jufrouw Sanders, jufrouw Klomp en jufrouw Tussenbroek.
De christelijke school was in Hien. Daar gaven les met meester Tornga, juffrouw Fintelman en Bohne (doleantie 1887).
In Dodewaard staan twee kerken. De kerk aan de dijk is de oudste. Daar zijn nog tufstenen gebruikt. Aan de zuidzijde is een een romeinse doopvont te zien en een oude zonnewijzer uit de 14e/15e eeuw. De kerk van Hien is van jongere leeftijd. Daar zijn aan de oostzijde nog diverse familiegraven. Beide kerken hebben een uurwerk en toornklokken en zijn Nederlands Hervormd.
De dominee was Calshoven, een hele fijne man die goed met iedereen overweg kon.
De knapenvereniging en jongelingenvereniging hadden wekelijkse catechisatiebijeenkomsten. De leider van de jongelingen- en knapenvereniging was Tinus Hoogakker, een heel fijne man die voor iedereen klaar stond.
Er waren twee muziekverenigingen; een zangvereniging en een mondaccordionvereniging onder leiding van dirigent Homan.
De voetbalverenigingen waren De Panter en TOP.
Bijnamen
In het dorp waren er veel personen die een bijnaam hadden. Soms kende ik als jongen niet eens de echte naam. Voor de herinneringen aan ons dorp wil ik er een paar noemen:
De gekke Frits, Hent Poelens, Klaas de Klat, Willem de Stoep, de Koetertjes, van de Snor, Kulleke van Gjert, Bart Poenje, Geurt de Tip, Hendrik de Keizer, Piet de Kiep, Klaas in de Pas, Lip van Meier, den Dreef, de Smots, Wim de Haan, Schuil bij School, Klatschilder, de Rooie Kees, Beer van Geurts, Detje van Gradus, Frank de Berenleier, Piemke van Hattum, Bul van Thijssen, Prutje van Det, Jan de Bout, Gert van Kee en de Knipscheer, Er waren er nog wel meer maar deze kunnen ze in de geschiedenis van Dodewaard terug vinden .
Er was wel verschil in de gemeente. Je had de mensen uit de Achterhoek, mensen van de middenwijk van de Scheepswerf tot afweg Zandwijk en dan de Steegakker van centrum naar de Hiense kerk. Hien-Wely was ook weer een beetje apart.
In het centrum stond de Wilhelminaboom. Dat was meestal de plaats waar muziek werd gemaakt.
Nostalgie
Ik schrijf hier over de jaren 1922 tot 1939. De jaren dat alles nog ongeschonden was wat de natuur betreft. Dodewaard had nog de oude bebouwing.
Er is nu zoveel veranderd. Niet alleen de natuur die ze zo beschadigd hebben, maar ook de mentaliteit van de mensen, niet iedereen kent elkaar nog. Er is veel import gekomen uit alle streken van het land.
De gezelligheid van toen is verdwenen. Dat is niet alleen in Dodewaard zo, maar over het algemeen in de dorpjes in de Betuwe. De mensen staan elkaar niet meer zo bij als toen. Daarmee wil ik niet zeggen dat het toen altijd koek en ei was, Ook toen waren er burenruzie’s.
Er was belangstelling voor elkaar. Buurvrouwen hielpen elkaar in de huishouding als er een bevalling was geweest. En als de huisslachting had plaats gevonden kwamen de buren zogenaamd vet prijzen en werd er een stevige borrel gedronken. Ze kregen een hutspot mee naar huis bestaande uit een worst, spek en karbonade.
Ook met bruiloften, verjaardagen en andere feestjes was er altijd plezier. En soms, al was er geen bruiloft of verjaardag, dan werd er toch gefeest door jongelui met muziekinstrumenten.
Rijke boeren
Er waren bij ons in het dorp zeer rijke boeren, die liever beurden dan dat ze iets zouden weggeven. Wij hadden niet veel met ze op. Ze hadden voor de arbeider geen cent over .
Vaak hadden deze boeren ook nog huizen die ze verhuurden. Als je een nieuwe deur in je huis moest hebben waren ze niet thuis. Het koste teveel geld.
Een ding vergeet ik nooit. Mijn vader ging de huur betalen van de woning en de werkplaats. Vader moest met de pet onder de arm het geld gaan afgeven bij de heer Taats. Deze had een opzichter in dienst die veel erger was dan de eigenaar. Wij noemden hem ‘de beste Das’.
Natuur
Ons dorp had veel historische gebouwen en zeer oude boerderijen. Tegenover de oude kerk lag een prachtig natuurreservaat.
De uiterwaarden langs de rivier de Waal waren geweldige viswaters waar veel vis werd gevangen voor consumptie. Er waren vele soorten vis, zoals zalm, finte, voorn, snoek, baars, alvertjes, paling en alle blankvissen. Sommige soorten kon je niet het hele jaar door op vissen, zoals de zalm en de Finte omdat die kuit gingen schieten in Zwitserland. Ook was er Prikpaling die van zee kwam en met de grote schepen stroomopwaarts trok.
Men viste met fuiken en netten, maar daar moest je wel een vergunning voor hebben.
Geurt verkuil vas de vader van mijn vriend. Hij was binnenvaartvisser van beroep. In de Waal lag ook een schokker die speciale vis ving.
Mijn vader had een grote hobby en dat was vissen met een net. Daar had je een vergunning voor nodig, maar die was erg duur. Vader viste altijd zonder en politieman Dijkhorst probeerde mijn vader altijd te bekeuren
Op een avond sprak vader met zijn zwager Ruth Boone af om ‘s nachts mee te gaan vissen. Nu moest dat in alle stilte gebeuren want Dijkhorst mocht niets in de gaten hebben. In het duister werd alles in de roeiboot in orde gemaakt voor de vangst en ze vertrokken het water op.
Het binnenhalen van het net was een zwaar werk. Ze hadden de eerste vangst binnen en alles moest in de stilte gebeuren want op het water klinkt alles luider dan aan wal. Alles ging volgens plan, maar met het binnenhalen van het tweede net werd de stilte verbroken. Mijn oom liet zulk een harde wind liet at deze over het water klonk. Vader en oom moesten lachen, maar veldwachter Dijkhorst had het gehoord.
Bij terugkeer naar de dijk stond tot hun grote schrik veldwachter Dijkhorst mijn vader en oom op te wachten. Na een ‘nu heb ik je eindelijk te pakken’ werd een bekeuring opgemaakt en het dure visnet in beslag genomen. Het visnet werd door de rechtbank in Tiel verbeurd verklaard. De vis mocht vader behouden.
Dit zijn de herinneringen uit mijn jeugd. Opgeschreven op vierentachtigjarige leeftijd.
Henny Huiberts