Hendrik Huiberts (* 1922 – † 2008) is het achter-achter-kleinkind van Dirk (Derk) Huiberts.
In Andere tijden vertelt Henny Huiberts zijn levensverhaal. Over zijn jeugd in Dodewaard en zijn oorlogservaringen.

Hieronder vindt u twee verhalen van Henny, nl.

De biografie van Henny Huiberts
Dodewaard van voor de Tweede Wereldoorlog

De biografie van Henny Huiberts

Mijn jonge jaren

Ik werd geboren als Hendrik Huiberts op 1 februari 1922 te Dodewaard in de Betuwe (Gelderland) als kind van een sigarenfabrikant. Tot mijn vierde jaar weet ik mij niet veel te herinneren, maar vanaf mijn vierde jaar weet ik nog dat ik als kind met mijn vader mee ging lopen. Dat was een belevenis.
Ik wandelde met hem over de dichtgevroren rivier de Waal naar het aan de overzijde gelegen dorp Druten. Er was een voetpad gemaakt tussen de ijsschotsen. Het was een strenge winter met veel sneeuw en gladheid, maar wij waren dat gewend. De wegen waren sowieso slecht.
Er waren drie auto’s in het dorp, want alle vervoer was nog met paard en wagen, de transportfiets of de bakfiets van de bakker, slager en kruidenier. Maar niet iedereen had een fiets. De petroleumboer had zelfs nog de hond onder de wagen lopen met het vat en kannen daarop.
Ik weet nog dat ik altijd met de dokter mee mocht rijden. Dat was wel een hele eer. Als ik in de auto zat was het moeilijk om naar buiten te kijken. Ik was een beetje te klein en kon dus net over het randje van het portier kijken.
Nu waren er bij ons op de dijk nog klinkerpaden in het midden voor de paarden om op te lopen. Je hoorde ze al in de verte aankomen en alle wagens hadden nog houten wielen met bandijzers eromheen. Dat was vakmanwerk, want niet iedere smid kon dat ten uitvoer brengen en repareren.
Ons gezin bestond uit vader, moeder en vijf jongens en twee meisjes. De oudste van de kinderen was mijn broer die dertien jaar ouder was dan ik. Mijn oudste zuster was 12 jaar ouder dan ik. Van mijn broers was de jongste vijf jaar jonger dan ik, dat was dus de ‘nest dot’, zo werd dat vroeger genoemd. Mijn broers en zusters zijn inmiddels allemaal gestorven.
Het was bij ons altijd wel gezellig thuis. Er werd gezongen en veel muziek gemaakt. Het was fijn en ook de buren waren altijd goed met elkaar. Met verjaardagen, kerstmis, oud- en nieuwjaar was het goed en vierden wij dat met zijn allen.

De lagere school

Toen ik zes jaar was moest ik naar school wat ik niet zo prettig vond. Je was zo’n vrij leven gewend. Ik weet nog dat ik met mijn jongste zuster mee moest om kennis te maken met juffrouw Tussenbroek. Het was wel even wennen, stil zitten met de armen over elkaar .
Het was tekenen, letters leren van het plankje met Aap, Noot , Mies. Het leren viel nog wel mee in de eerste klas. In de tweede klas kreeg ik weer een andere juffrouw. Zij heette juffrouw Sanders, die ook klas drie onder zich had. Het was een fijne juf en daar kon ik goed mee. Ik mocht vaak het schoolbord schoonmaken en dat was al een hele eer. Wij begonnen toen al met rekenen en schrijven. Het rekenen ging niet zo best maar het schrijven had ik snel onder de knie.
De juf was niet tevreden met mijn gezondheid. Daarom bracht ze iedere dag een sneetje roggebrood voor mij mee. Ik moest dat op eten en dat deed ik dan ook. De juf was de vrouw van meelhandelaar Kraaikamp!
In de vierde klas kregen wij les van meester Jonkers. Dat was een goede meester. Hij kwam uit Druten en woonde ook aan de dijk, tweehonderd meter verder dan waar ik woonde. Wij woonden een heel eind van onze school vandaan, dus het was een heel eind lopen. De meester fietste altijd naar huis over de dijk heen en dat was voor ons de gelegenheid om op de as van zijn achterwiel twee stepjes te maken die wij hadden gekregen van de fietsenmaker. Als de meester naar huis fietste dan grepen wij hem vast en sprongen aan weerszijde met de voeten op de stepjes en konden zo achterop meerijden. De meester ging expres hard fietsen zodat wij hem niet zouden kunnen bijhouden. Dat lukte hem niet want wij waren altijd hem te slim af en ach, de meester vond dat ook wel leuk.
In de vijfde klas kregen we les van met meester Klootwijk die altijd aangesproken werd op zijn frans: ‘Masjeu’. Het was een hele beste meester,maar o wee als hij kwaad op je werd. Dan kon je maar beter ruimen. Zijn ogen begonnen dan in zijn hoofd te draaien en dan was het mis. Hij was dan echt kwaad.
De volgende klas was klas zes van bovenmeester Koldewijn, de meester waar je ook naar toe moest als je erge straf verdiend had. Verder was hij een goede meester waar je goed kon leren. Ik was gelukkig in die jaren niet blijven zitten .
Wij gingen eenmaal per jaar uit met de school. Ook was er bij de hoogste klas een zangvereniging onder leiding van meester Koldewijn. Ik had fijne schoolvrienden, dat waren Piet Aalbers, Haske Blitterswijk, Aart van Tuil, Wimpie Binsbergen, Padie Roodbeen, Hans Schijf, Jan Verkuil en Gerrit Verkuil en Jan de Hartog. De meisjes uit onze klas waren Greta van Binsbergen, Miep van Maanen, Gerrie Dohmen, Miep Hommersom, Bartje Meiyer, Nolda Fintelman, Toos Roodbeen, Eefje van der Haar, Jantje Remmerden, Corrie Wetten en nog andere die ik niet zo goed kan herinneren. Het waren allemaal fijne vrienden en vriendinnen.
Onder aan de afweg naar de school was er een winkeltje. Daar kon je voor een halve cent een toffee halen. Als je voor een hele cent ging kopen dan waren de meisjes het eerst bij je om een toffee van je te krijgen. Wij noemde de winkel ‘schuil bij school’.
Aan het werk

Naar jaren op de lagere school te hebben doorgebracht begon het echte leven pas. Met je dertiende jaar ging je niet verder leren. Je moest gaan werken al was het maar bij een appelboer of een frambozenteler. Je moest geld verdienen en of je nu twaalf of dertien jaar oud was, dat speelde geen rol. Wij kregen evenwel vrije tijd genoeg, om onze jeugd uit te leven.
Wij gingen ook bij de boer werken waar we leerden melken waar we de kippen voerden, de schapen in de stallen deden en en de pony uit de wei haalden. Ook moesten we de koeien voeren en verzorgen, maar daar had onze moeder niet zo’n schik van, want je stonk waar je liep naar de koeienmest.
Verder was het voetballen, slootje springen, vissen en natuurlijk op verkenningstocht in het natuur reservaat tegenover de woning aan de dijk waar wij woonden, waar je van alles kon vinden wat de schepping ons gegeven heeft.
Een vaste vriend waar ik altijd mee omging was Cees Verkuil ‘Rooie Cees’. Een vriend waar je altijd op kon rekenen en waar ik was, was hij ook. Wij hebben altijd veel pret gehad, vooral bij de boer. De vader van Cees was visser en had twee roeiboten, dus wij hadden altijd wel een boot voor onszelf, waar wij mee de sloten en de plassen konden afvaren. ‘s-Nachts mochten wij met zijn vader mee het water op om fuiken te lichten en de paling eruit te halen. Dat was een belevenis, en je moest je goed aankleden, vooral in verband met de vele muggen die wel een lekker hapje lusten.
Als junior heb ik nog gevoetbald bij T.O.P. in Dodewaard. Wij gingen ook in de dorpen in de buurt spelen,wat wel heel fijn was. Wij werden getraind door de schoenmaker Bep Breda, waar we ook de voetbalschoenen van hadden. Verder ben ik nog samen met één van mijn broers aangesloten geweest bij de wandelvereniging ‘in Maas en Waal’ in Druten.
Toen ik wat ouder was bezocht ik de christelijke knapenvereniging en van daar uit naar de jongelingsvereniging, die onder leiding stond van Tinus Hoogakker, een hele fijn man. Ook heb ik met vele vrienden op catechisatie gezeten onder leiding van dominee Kalshoven.
Vaak huurde wij voor een kwartje een hele middag een tandem om naar Arnhem, Nijmegen of Wageningen te gaan. Wij hadden altijd het zelfde koppeltje vrienden en vriendinnen en hadden het altijd leuk. Veel fietsen was toen wel heel belangrijk voor de jeugd van toen. Ik had een schoolvriendin maar was nog te jong voor verkering, dus dat ging verloren. Het jeugdige leven ging over in arbeid – je moest wat geld verdienen – en dus ging alles een beetje veranderen.

Naar Veenendaal

Ik werkte eerst bij mijn vader thuis in de sigarenfabriek, maar daar heb ik me nooit thuis gevoeld. Als je alles van te voren had geweten, dan was ons bedrijf er veel beter uitgekomen. Maar ja, de weg is soms anders als je had gewild. Mijn vader moest opgeven wat hij moeizaam had opgebouwd. Tijden werden slechter en er was weinig toekomst.
Velen hadden nog een schuld bij ons. Rekeningen die niet betaald waren en er was niets aan te doen. Het leven ging niet over rozen en mijn vader had altijd nog vertrouwen in de mensen. Ze zouden nog wel betalen.
Er was bij ons sprake van dat mijn vader het bedrijf wilde opgeven en vertrekken naar Veenendaal. Wat er toen door ons heen ging is niet te beschrijven. Alles opgeven in de gemeente waar je geboren bent en opgegroeid. Het was niet leuk, maar waar je geld kon verdienen ging je ook wonen. Zo vertrokken wij op 5 december 1939 naar Veenendaal en gingen wonen op de Middellaan 97, een nieuw huis wat nog bezet was geweest door de Nederlandse soldaten. Het was wennen, maar er was altijd hoop.
Wij zaten dus dicht bij het werk in ‘de Panter Sigarenfabriek’. Mijn vader kreeg daar een goede baan omdat hij een vakman was in de sigarenindustrie. Ik had daar ook geen schik want sigaren maken lag mij niet. Ik leerde fijne vrienden kennen, waar ik altijd op konden rekenen. We waren altijd bij elkaar, een koppeltje van vijf. Ik werd ouder en kreeg verkering.
Het leven om ons heen begon ook niet vrolijker te worden. Iedereen sprak over oorlog en de mobilisatie was een waarheid geworden. Vele jongens, jong en oud, moesten in de militairen dienst om hun plicht te vervullen. Niet voor iedereen fijn, maar het vaderland moest verdedigd worden.

Duitsland

Op tien mei 1940 waren wij in oorlog met het Duitsland onder het Hitler regiem wat een verschrikking was. Wat men in het begin nog niet wist was dat ze ons land vijf jaar zouden bezetten en leeg zouden roven. Velen werden weggevoerd naar de concentratiekampen en duizenden keerde niet terug. Veel van onze soldaten sneuvelden, vooral aan de Grebbelinie, waar nu nog een groot ereveld ligt met vele graven.
Maar ook de niet militairen moesten in nazi-Duitsland gaan werken in de oorlog industrie. Zelf moest ik ook naar Duitsland en belandde in Frankfurt aan de Main. Ik ben daar maar één dag geweest toen er gevraagd werd wie er in Kassel in midden Duitsland wilde gaan werken. Wjj gaven ons gelijk op. De heer die ons vroeg om naar Kassel te gaan deelde ons mee dat ze vijf personen wilde hebben en daar moest een chauffeur bij zijn. Ik zei dat ik wel kon rijden en zo gingen wij met vijf jongens richting Kassel.
Ik heb er geen spijt van gehad, want ik had geluk. Ik kwam terecht bij de levensmiddelengroothandel ‘Edeka’ in de Salstorstrasse te Kassel. De hoofddirecteur was een oorlogsinvalide, met één arm. Hij had een engelse vrouw en een auto speciaal ingerichte voor aangepaste besturing. Dus toen ik proef moest rijden met hem was het voor mij niet moeilijk en ik slaagde gelijk voor het Duitse fuhrerschein.
Toen begon voor mij echt een prettige arbeidstijd. Ik had een goede leermeester, een oude vertegenwoordiger die alle klanten wist te vinden waar wij levensmiddelen moesten bezorgen. Zijn naam was Herr Döring. Samen hebben wij veel lol gehad. Hij kon ook goed drinken en maakte veel flessen met Martini leeg. Ik kon daar geen kwaad en iedereen in de winkels kende mij erg snel. De meeste waren nieuwsgierig en ze vroegen steeds of ik wel goed en voldoende te eten had. Vaak gaven ze mij brood of voedselbonnen mee. Ik had in overvloed te eten, want het levensmiddelenbedrijf was in alles goed voorzien. Groothandel door geheel Duitsland, dus ik heb geprofiteerd van mijn werk. Ik reed veel naar Frankfurt, Hamburg, Edersee, Göttingen en vele andere steden. Vaak stuurde ik pakjes naar Holland met olie, bloem, kindermeel, suiker – alles wat maar met levensmiddelen te maken had. Controle had ik niet want het zat in dozen van de ,”Edeka” groothandel.
Ook gaf ik soms hulp aan de jongens die in de lagers waren ondergebracht. Vooral in het lager van Niederzweren woonden veel bekenden van mij. Zij hadden het niet zo best en aten vooral veel soep. Ik zorgde vaak voor meel, olie en suiker. Het was niet zo mooi van mij, want ik moest dat ook achterover drukken, maar de jongens konden pannenkoeken bakken en ze waren er dankbaar voor. Als ze de diefstal ontdekten dan was het wel gebeurd met je. Op op het Bahnhof waar wij goederen uit de trein moesten halen waren zeven jongens opgehangen. Wij zagen ze op een morgen aan de bomen hangen. Vreselijk. Het waren russen die gejat hadden van de honger.
De familie Meijer in de Walebachstrasse 25 hadden een winkel in levensmiddelen. Daar ging ik vaak naar toe. Zij hadden altijd schik als ik kwam want ik bracht echte koffiebonen mee. Stiekem natuurlijk want die haalde ik boven van een zolder die gebombardeerd was en waar eigenlijk niemand mocht komen. Dat was dus feest. De straat lag in het stadsdeel Bettenhausen, dicht in de buurt van de Henschel fabriek ,waar de beroemde Tiger tank werd gemaakt, dus er was vaak luchtalarm. Ook bij ons in het bedrijf waren bommen ingeslagen en een man van kantoor, Herr Zimmerman, lag dood onder het puin. Dat was even erg voor ons want wij verloren een goede collega.
De stad werd vele malen gebombardeerd en er waren vele doden. Daarover wil ik het liever niet hebben want wat je dan meemaakt en voor je ogen ziet wat voor ellende dit alles meebrengt, daar kan je dagen over vertellen, maar je moet het zelf hebben meegemaakt. Je wilt het wel eens van je afzetten, maar het is moeilijk om iemand te vinden die echt naar je luisteren wilt en je draagt het levenslang met je mee. Toch moeten wij het niet vergeten en hopen dit nooit meer mee te maken.

Onderduiken

Na de arbeid in Duitsland keerde ik met verlof terug. Ik kreeg zes weken verlof ‘op schriftelijke verklaring’ van de gouwleiter Von Kassel. Maar ja, de toestand noopte mij om niet meer terug te keren naar ‘Edeka’ in Duitsland hoewel ik een goede baan had als chauffeur om de winkels te voorzien van levensmiddelen. Eigenlijk vond ik het wel jammer om niet meer terug te keren want ik had fijne mensen om mij heen en de arbeid was ook fijn. Je reed door vele steden en dorpen en deed veel mensenkennis op. En nu moest ik onderduiken en maar afwachten wat dat ging worden.

In de eerste plaats bofte ik om te mogen verblijven bij de familie van Garderen aan de Voskuilerweg in Leusden. Die mensen waren zeer goed voor mij en ik mocht zelfs vaak mee gaan jagen als drijver, dus er was veel vrijheid. In Veenendaal kon ik niet verblijven omdat ik bericht had ontvangen dat ze mij zouden komen ophalen. Vandaar dat ik naar mijn geboorteplaats Dodewaard ben gegaan waar ik de ene maand bij mijn zuster en de andere maand bij mijn broer ben geweest.
Ik ging als hulp-boekhouder helpen bij de steenfabriek ‘de Hogewaard’. De bedrijfsleider was de heer Scholten, een hele fijne man waar ik heel goed mee kon werken. Het bedrijf had het heel erg druk met stenen afleveren aan vliegveld Soesterberg en natuurlijk aan de Duitse weermacht. De meeste stenen werden per boot via de Waal vervoerd, maar ook veel met vrachtwagens.

In het verzet

Ik schreef veel rekeningen uit voor stenen die nooit geleverd waren – het ging toch ten koste van de Duitse weermacht en die betaalde heel goed – dus voor de fabriek was dat gunstig. De steenfabriek was eigendom van de familie van der Loo uit Brummen. Zij hadden daar ook een steenfabriek.
Het was voor de bedrijfsleider Scholten heel fijn dat ik alles daar regelde want hij was de gehele dag op de afgraving, in de uiterwaarden, waar de klei voor de stenen moest worden afgegraven om vervolgens in grote bakken per locomotief naar de fabriek te worden vervoerd.
De directeur kwam eenmaal in de week het loon voor het personeel brengen.
Naast het kantoor was een opslagplaats van Duitse munitie van allerlei aard. Er waren zo’n tien tot twaalf Duitse soldaten voor de wacht. Mij werd nooit gevraagd over iets wat ze niet zouden mogen weten. Omdat ik de Duitse taal goed sprak stelden de soldaten veel vertrouwen in mij, mede omdat ik in Kassel bij ‘Edeka’ had gewerkt, een bedrijf dat voor hen heel erg bekend was.
Voor mij was hier veel geheim werk te doen, vooral ten behoeve van de mensen van de Brabantse ondergrondse (Nijmegen en omstreken). Door mijn werk werd ik automatisch betrokken bij de ondergrondse. Namen kenden wij onderling niet – die werden ook nooit genoemd – maar wel een code. Op kantoor had ik telefoon, dus ik kon altijd verbinding maken als er nieuws was. We stelden samen met de bedrijfsleider Scholten – de zat ook in het verzet – een plan op.
De ondergrondse kon zeker van alles gebruiken. Het vervoer van het materiaal dat werd gestolen ging per boot richting Nijmegen. Wat er vervolgens mee gebeurde en waar het verder naar toe ging wist ik ook niet, en dat was ook niet belangrijk.
Op een gegeven moment werd er gevorderd dat er met wagens van ons bedrijf gereden moest worden. Er moest munitie opgehaald worden op het station Hemmen (Dodewaard). Er werden paarden en wagens gevorderd. Op het bedrijf waren wel 10 paarden die dienst deden voor de lorries. De Duitsers kwamen vragen of we de paarden en wagens wilde inspannen. Dat was het werkt van de stalmeester, de oude heer Sipman. Nu waren de paarden gewend om voor de lorries te lopen en niet op de gewone weg. Dat was dus een ramp.
Ik wilde ook graag zo’n vrachtje doen. Sipman had ook voor mij ingespannen. Ik was op weg naar het station en reed door de Kalkenstraat en voorbij slagerij van Doorn. Zonder dat ik aan de teugels trok ging het paard stilstaan en keerde zo om terug naar de fabriek. Ik probeerde van alles om hem weer richting station te mennen, maar niks hielp. Het paard ging terug naar de fabriek. Ik was verbaasd, maar de oude Sipman lachte want hij wist dat precies op dat punt het paard terug keren zou…

De bedrijfsleider Scholten was niet gehuwd en had een huishoudster in dienst. Wat wij niet wisten was dat ze samen met haar man bij de NSB was geweest in Vollenhoven. Het waren voorname mensen die bij NSB leider Mussert hadden gewerkt. Ze had een koffer met vele sieraden van goud en zilver op de zolder staan. Het was niet mooi van ons om daarin te kijken maar het bleek goed dat wij dat deden, want daardoor ontdekten wij foto’s waarop ze aan de zijde van Mussert op de Maliebaan in Utrecht stonden. We moesten oppassen en net doen of wij van niets wisten. Van haar hebben we geen last gehad. Ze was goed voor ons en kon lekker koken. Wel was ze aangemeld bij het ondergronds verzet.

Wij wisten dat we moesten oppassen, maar de bedrijfsleider melde mij steeds: ‘het komt wel goed, wij hebben de zaak onder controle’. Onze buren, de Duitse soldaten, waren nog erg jong en dus zonder ervaring. Iedere week kregen ze Schnaps (Jenever) wat voor ons iets was om op te letten. Doordat ik goed Duits sprak en ze wisten dat ik bij ‘Edeka’ had gewerkt vertrouwden ze mij van alles toe, wat een groot voordeel was. Ik kreeg de wacht zover dat hij mee ging feesten – geweldig die Schnaps – waarna ik de ondergrondse in Maas en Waal kon waarschuwen dat ze konden komen om verschillende zaken mee te nemen. Dat ging via een bootje over de Waal. Wat zij mee namen wist ik niet, want dat was voor mij van geen belang.

In het leger

Toen kwam het moment dat de Duitsers de steenfabriek verlieten. De geallieerden waren op komst. Hun komst was een belangrijk moment want ik was van tevoren op de hoogte gebracht dat als de Engelsen bij ons waren, ik mij gelijk bij hen kon aansluiten. Zo geschiedde. Ik kreeg gelijk een uniform aan (Market Garden 1844-45). Trots als ik was, kon ik gelijk aan de slag, want er moesten verkenningen gedaan worden. Het was voor mij een enorme opsteker om met de tanks mee te gaan bevrijden. Ik kende de omgeving uitstekend en wist waar de Duitsers zich ingegraven hadden, overal langs de dijken en aan de linie tussen Ochten en Kesteren. De plaatsen waar de Duitsers zich ingegraven hadden waren mooi op de kaart aan te geven zodat artillerie haar werk kon verrichten. Alles werd geregeld vanuit Café Meeuwissen aan de Veerweg in Dodewaard. Ook Rhenen en omgeving werden onder vuur genomen.

Wij zijn teruggetrokken de Waal over richting Nijmegen. Daar werden wij verrast door zwaar afweergeschut van de Duitsers vanuit het Reichswald, net over de grens. Vanuit Nijmegen trokken wij verder doos het land van Maas en Waal en de velde kleine dorpjes als Weurt, Ewijk, Beuningen, Winsem, Afferden en Dees. Daar zijn we ’s nachts gebleven om de andere morgen verder te trekken door Druten, Puiflek, Altforst, Blauwe Sluis, Boven Leeuwen, Beneden Leeuwen, Wamel en Dreumel tot aan de dijken. Daar hebben wij lang gelegen omdat we niet verder konden. Aan de overzijde van de Waal waren de Duitsers nog niet verdreven. Iedere dag en nacht lagen wij onder zwaar vuur van de vijand.

In Nijmegen trof ik Nol Rutgers, een jongen uit Rhenen die bij een ander bataljon hoorde. Nol was een fijne kameraad die getrouwd was met een dochter van Schut, ook uit Rhenen. Aan onze luitenant Mr. Spencer vroegen we of we bij elkaar konden blijven in ons regiment de Recce Troops 43. Hij vond dat zeer goed.
Beiden hebben wij veel meegemaakt. Nare dingen, maar ook goede dingen. Steeds waren wij bij elkaar om elkaar hulp te bieden en samen dronken wij nog wel eens een glaasje. En vooral in Frankrijk: echte cognac.
Nol en ik hebben voor de bevrijding van Nederland mogen strijden samen met de Engelse troepen. Wij werden met ere behandeld, waren kameraden die samen de strijd aangingen tegen de Duitsers. Wij waren beiden tank en carrier bestuurder.

Op een bepaalde dag werden wij opgeroepen op het hoofdkwartier (HQ) in Nijmegen en kregen de boodschap van de opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten Prins Bernhard om te gaan naar Frankrijk en ons te melden bij res. kapitein der jagers W.J.van Dijk in Fourness een klein stadje bij Lille. Daar werd het eerste bataljon eerste regiment jagers OVW (oorlogsvrijwilligers) opgericht dus daar was werk aan de winkel. Een snelle opleiding met tanks en carriers waren voor ons belangrijk.

Wij moesten ook vaak naar de havens van Antwerpen in België om materiaal te halen. Dat was soms niet makkelijk want de havens lagen onder vuur van de V-2 van de Duitsers. Als die dicht in de buurt uit elkaar barste dan had je geluk als je er goed door heen kwam. Het waren vreselijke wapens want alles werd door luchtdruk geveld.

Ik herinner mij nog één kleine gebeurtenis. Wij waren een beetje aan het voetballen met blikjes die op de grond lagen en plotseling stopte er een jeep. Tot onze verrassing stapte
Onze bevalhebber Prins Berhardt er uit. Wij sprongen in de houding, maar hij stelde ons gerust en schopte ook het blikje weg. Met een lach om zijn mond riep hij: ‘Rust jongens, en doorgaan’. Dat was een leuk moment in moeilijke oorlogstijden.

Het einde van de diensttijd

13 maart 1945. Koningin Wilhelmina zet na jaren weer voet op bevrijd Nederlands grondgebied in Aardenburg, Zeeuws Vlaanderen.

Wij gingen Frankrijk uit, door België naar Zeeland. Daar waren wij nodig voor bezettingen bewaking. Op de morgen van 13 april 1945 werden wij opgeroepen om naar de Nederlands/Belgische grens te gaan. Het was in de buurt van Aardenburg bij het plaatsje Eeden in Zeeuws Vlaanderen. Daar moesten wij aantreden omdat Hare Majesteit Koningin Wilhelmina de eerste stap weer zou zetten op Nederlandse bodem. Het was voor ons een hele belevenis ‘iets voor de geschiedenis’ om als Veenendaalse militair Hare Majesteit te mogen begroeten.

Bevrijding van Steenbergen (Noord Brabant). Henny Huiberts is de staande persoon bij de linkse carrier met de zwarte baret.

Wij gingen verder voor bewaking naar Hulst en daarna Axel en nog verschillende andere plaatsen in zeeland. Wij moesten naar Steenbergen in Brabant om daar gelegerd te worden en uitgezonden naar de streek van Oud Vossenmeer en St Annaland, waar aan de overzijde van het water op St Philipsland de Duitsers nog lagen.

Vanuit Steenbergen zijn we getrokken naar de Duitse stad Bochholt waar wij voor bewaking heen moesten. In de omgeving moesten wij Duitsers opsporen die waren ondergedoken en zich nog verschans hadden. De mensen waren erg aardig tegen ons. Vooral de boeren, want wij verjaagde de reeën met onze carriers uit de korenvelden. ‘s Avonds kregen wij soep en vlees aangeboden bij de boeren. Na Duitsland gingen wij naar Utrecht, naar de Jan Pieterszoon Coenschool aan de Vleutenseweg waar we een poosje ingekwartierd werden, om vervolgens naar de Sijpensteinkazerne te gaan. Ik deed daar dienst als chauffeur-instructeur voor opleiding carriers. Wij zijn daar gebleven om jongens op te leiden voor Nederlands Indië, het was de tijd van Soekarno.

Mij kameraad en ik hadden niet de lang-verband akte getekend, want anders zouden wij naar Indië hebben gemoeten. Wij vonden dat wij onze plicht hadden gedaan voor het vaderland en verlieten op 23 november 1945 de dienstijd met eervol ontslag. Het regiment jagers o.v.w. blijft voor ons altijd nummer één.

Hoe het verder ging

Hendrik (Henny) Huiberts trouwde op zaterdag 26 januari 1946 in Veenendaal met Gerritje Ariesen.

Het civiele leven begon weer en je moest passend werk zoeken. Eerst ging ik werken bij de N.E.W.O., als assistent van de heer Maarschalk. Hoewel dat behoorlijk goed ging had ik het na een tijdje bekeken . Dat gedoe van de mannen met de klokjes, achter de mensen, was voor mij niets.

Intussen leerde ik mijn vrouw Gerry Ariesen kennen waar ik op 26-januari 1946 mee in het huwelijksbootje stapte. Een nieuwe tijd was aangebroken. Ik ging werken bij expeditiebedrijf Stempvoort in de Zandstraat. Het was zwaar werk. Iedere dag ‘s morgens om vijf uur starten om de route Breda, Helmond, Tilburg, Eindhoven, ’s ‘s-Hertogenbosch te rijden. Goederen afgeven en weer ophalen voor de andere dag. ’s Avonds was ik dan tegen zes uur weer thuis en kon ik de wagen lossen. Het was altijd laat voor ik naar huis kon. De verdiensten waren veertig gulden in de week en overdag was het dan toegestaan om onderweg vier eieren te eten op kosten van de baas. Dat was altijd bij chauffeurscafe ‘De Lucht’. Het was ook niet zulk een goede firma. Het was werken, werken en nog eens werken.

Henny Huiberts als touringcar-chaffeur.

Na een jaar kon ik bij de firma de Haas beginnen op de lijndienst. Dat was een busbedrijf in Veenendaal (de rode bussen). Ook daar verdiende ik een laag loontje

Omdat wij twee kinderen hadden moest er wel genoeg brood op de plank komen. Daarom ben ik naar Tut-Tut gegaan, een ijzerfabriek, waar ik meer kon verdienen. Na een paar jaar bij van Leeuwen gewerkt te hebben ben ik weer chauffeur geworden, eerst bij Bruil wegenbouw, en op de touringcar bij Henk Houth in Elst (U).

Het was voor mijn vrouw en kinderen niet zo leuk, want ik was veel van huis. Mijn vrouw heeft de kinderen van ieder jaar een half jaar opgevoed en groot gebracht. Het was voor mij ook niet altijd leuk, maar het was werk. Veel heb ik te danken aan mijn vrouw, want die stond achter mij, met het werk wat ik deed.

Naar de firma Vonk

Henny Huiberts als buschauffeur van touringcarbedrijf Vonk.

Na lang gewerkt te hebben als internationaal touringcar-chauffeur, ging ik werken ik bij Garage Vonk, die ook een touringcarbedrijf had. De eerste kennismaking met het bedrijf was op een feestavond in cafe “Bart Vonk”, tegenover de Frisia fabriek. Een druk bezocht café, vooral op zaterdag en dinsdags met de markt. Het was een kennismakingsavond waar ik nog met plezier aan terug denk.

Toen ik net een paar dagen dienst was, vroeg de heer van Spanje mij of ik een auto wilde ophalen in Barcelona bij de ambassadeur. De auto was gestolen in Nederland en in Spanje weer opgespoord. Het onthaal door de nederlandse vertegenwoordiging was prima.

De heer Krijn van Spanje kende ik via mijn werk en had mij gevraagd of ik zin had bij touringcarbedrijf Vonk te komen werken. Ik ben daar in dienst getreden als chauffeur op de touringcar. Het was wel een hele verandering en hadden behoorlijk werk, vooral in de zomer. Voor de scholengemeenschap “Jeugd en Vreugd” uit Den Haag reden wij twee maal in de week heen en weer tussen Den Haag en Otterlo, Vierhouten of andere vakantieadressen. Het was veel werk en vaak moesten we bussen bijhuren. Ook moesten we vaak militairen vervoeren vanaf Kootwijk of Amersfoort. Soms in de buurt, maar ook vaak naar Duitsland. Dat laatste was voor ons wel fijn want zo konden we nog wel eens aan belastingvrije sigaretten en drank komen.

Van bus naar reisbureau

Henny Huiberts als buschauffeur.

Op een dag kwamen de heer van Spanje en de jonge Bart Vonk mij op de Industrielaan een bezoek brengen. Zij vroegen mij of ik het reisbureau “Vonk Tours” wilde runnen. Na er goed over na gedacht te hebben – van vliegreizen had ik nog geen verstand – besloot ik het te doen. Het bleek een goede keuze.
Ik regelde de bussen waar onze chauffeurs mee op weg moesten, in binnen en buitenland. Het was niet altijd makkelijk, gezien het materiaal en de uren die ik werkte. Het waren er soms te veel. Op vrijdag was het vaak raak, vooral als de klanten om zeven uur nog kwamen boeken. Maar ja, dat was het risico van het vak.
Als het heel laat werd dan kon het zijn dat de oude heer Rijk Vonk met een balletje gehakt of wat anders lekkers naar mij toe kwam. Hij en zijn vrouw woonden aan de overkant van de straat en konden de zaak goed in de gaten houden.
De oude Rijk kwam vaak een kijkje nemen en vertelde steevast een nieuwe bak (mop).
De chauffeurs in die tijd waren o.a. Gert Kelderman, Jan Schinkel, Henny Henken, Herman van de Weerd, Teus Hovestad en Ries Ruiswijk.

Ik was altijd bereikbaar op mijn privénummer via het reisbureau. Als er problemen onderweg waren konden de chauffeurs mij altijd bellen via het reisbureau op het nummer 11111. Soms was dat wel vervelend. De 1 is nu eenmaal makkelijk te draaien voor kinderen die midden in de nacht niet kunnen slapen. En midden in de nacht schrik je altijd van de telefoon.

Het was een mooie tijd. De heer van Spanje en ik zijn geregeld voor het reisbureau naar vergaderingen van de ANVR geweest. Ook ben ik vaak naar Oostenrijk, Italië, Duitsland en Zwitserland geweest om hotels voor de reizen te bespreken. Het reisbureau draaide goed en vele klanten waren tevreden. Vooral omdat wij een reisbureau hadden voor iedereen.

Inmiddels is het 2004 en zijn er gelukkig en tevreden met elkaar en onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. In totaal zijn we nu met zijn tweeëndertigen.

© Henny Huiberts

Dodewaard van voor de Tweede Wereldoorlog

Mijn moeder Alida was geboren in Dodewaard als dochter van een visverkoper (familie Boone). Mijn vader Hendrik was geboren in Kesteren, gem. Opheusden als zoon van een rozenkweker. Vader en moeder hadden zeven kinderen t.w. Katrines, Hendrika, Cornelis, Geurt, Alida Willemina, Hendrik en Peter .

Dodewaard in de Betuwe ligt tussen Tiel en Nijmegen aan de rivier de Waal en was een zeer welvarend dorp.

Bedrijven

Er waren verschillende bedrijven zoals de conservenfabrieken (o.a Geurts-Vinks conserven, de appelstroop- of Kroetfabriek (Hulstein) en de steenfabrieken De Hoge Waard (v.d. Loo) en De Zaaier (Blitterswijk).
Ook waren er de kleinere sigarenfabriekjes van Huiberts en Gijsbers. Er was het scheepsbouwbedrijf van Hendriks. Veel werknemers kwamen van buiten het dorp. Het was er welvarend en bedrijvig.

Een overzicht van andere bedrijven die ik mij kan herinneren:

De bakkerijen Van Aalst, Mathijssen, Lazet, Zwijnen, Binsbergen, Van Drempt en Pitlo.
De drie slagerijen van de vader en zonen Van Doorn en Willemsen. Ook waren er toen nog huisslachters bij. Een varken mocht je toen nog zelf slachten en het spek en de worst werd nog heerlijk gerookt .
Ook kruidenierswinkels waren er genoeg. In de achterhoek Remmerden en in het dorp en buitenaf Zandwijk, Haka Aalbers, Piet Vermeer, Pitlo, Blitterswijk, Antoon van Soest en Schuiling (onder aan de Dijk bij de Openbare school. Een paar kruideniers verkochten ook brood.
Huiberts, de laddermaker, maakte speciale lange ladders met 45 sporten voor de hoge fruitbomen.
Er waren de timmermansbedrijven Hoogakker, Van Dorland (de koeters) en Van de Pla; het metselbedrijf van de gebroeders Derksen en twee schildersbedrijven van Louters.

De dorpscafe’s van Jan Meeuwissen, Hent Lazet, Getje van Aalst, Fintelman en Karel Hendriks met het Veerhuis aan de dijk.
Hotel en herberg “De Engel” aan de dijk en het water de Strang, was ook erg bekend en speciaal voor reizigers op doortocht
Er waren twee petroleumboeren: Van Dodeweerd met paard en wagen en Udo, die nog heel ouderwets rondging met een hond onder de kar.
De schoenmakerijen van Bep Breda en Gerrit de “Bobbert”, textiel kon je kopen bij de winkel was Blijderveen.

De melkventers waren Piet van Beem en Tutje van den Brink, maar ook bij de boeren kon je ook melk kopen aan huis.
Hoogerbeets, Gijsbers, Roodbeen (den Dreef) en Dries van Ingen waren de kappers.
Je rijwiel kon je laten herstellen bij Rijwielherstellers Hent Dhamen en Jan Need en de Rijwielzaak Gidding, maar ook bij de smederij van Hanje Dhomen (hoefsmid Elias).
Vervoer werd geregeld door de taxibedrijven Schuilng en Dhomen.
Post kon je verzenden op het postkantoor door Louietje Gerritsen. De laatste directeur was Van Wijk.

Er waren nog veel meer kleine zaakjes, maar deze kan ik mij nog van heel vroeger herinneren. Opgeschreven speciaal voor de mensen die de geschiedenis van de familie en hun dorp willen ophalen.

De gemeente

Dodewaard had een eigen gemeentehuis. Burgemeester was Jan de Hartog. Ik was bevriend met zijn zoon Jan, die bij mij in de klas zat. De burgemeester was een echte jager. Vaak hoorde je hem schieten op eenden in het natuurgebied tegen over de oude sigarenfabriek. Je kon hem altijd herkennen aan de jagershoed en de pijp in de mond.

De gemeentesecretaris was Willemsen uit de Hiensestraat (later de kerkstraat). Ook de gemeenteraadsleden waren bekend in de gemeente, net als de gemeentebode.
De politieagenten in mijn tijd waren Van de Haar en Dijkhorst. Deze laatste had veel weg van bromsnor van Swiebertje.

Er waren in de loopt van de tijd verschillende huisartsen: dr. van Epen, dr. Sleeswijk en dr. Cornet.

School, kerk en vereniging

Op de openbare school hadden wij hoofdonderwijzer meester Koldewijn, meester Jonkers en monseigneur Klootwijk en de leraressen jufrouw Sanders, jufrouw Klomp en jufrouw Tussenbroek.
De christelijke school was in Hien. Daar gaven les met meester Tornga, juffrouw Fintelman en Bohne (doleantie 1887).

In Dodewaard staan twee kerken. De kerk aan de dijk is de oudste. Daar zijn nog tufstenen gebruikt. Aan de zuidzijde is een een romeinse doopvont te zien en een oude zonnewijzer uit de 14e/15e eeuw. De kerk van Hien is van jongere leeftijd. Daar zijn aan de oostzijde nog diverse familiegraven. Beide kerken hebben een uurwerk en toornklokken en zijn Nederlands Hervormd.
De dominee was Calshoven, een hele fijne man die goed met iedereen overweg kon.

De knapenvereniging en jongelingenvereniging hadden wekelijkse catechisatiebijeenkomsten. De leider van de jongelingen- en knapenvereniging was Tinus Hoogakker, een heel fijne man die voor iedereen klaar stond.

Er waren twee muziekverenigingen; een zangvereniging en een mondaccordionvereniging onder leiding van dirigent Homan.
De voetbalverenigingen waren De Panter en TOP.

Bijnamen

In het dorp waren er veel personen die een bijnaam hadden. Soms kende ik als jongen niet eens de echte naam. Voor de herinneringen aan ons dorp wil ik er een paar noemen:

De gekke Frits, Hent Poelens, Klaas de Klat, Willem de Stoep, de Koetertjes, van de Snor, Kulleke van Gjert, Bart Poenje, Geurt de Tip, Hendrik de Keizer, Piet de Kiep, Klaas in de Pas, Lip van Meier, den Dreef, de Smots, Wim de Haan, Schuil bij School, Klatschilder, de Rooie Kees, Beer van Geurts, Detje van Gradus, Frank de Berenleier, Piemke van Hattum, Bul van Thijssen, Prutje van Det, Jan de Bout, Gert van Kee en de Knipscheer, Er waren er nog wel meer maar deze kunnen ze in de geschiedenis van Dodewaard terug vinden .

Er was wel verschil in de gemeente. Je had de mensen uit de Achterhoek, mensen van de middenwijk van de Scheepswerf tot afweg Zandwijk en dan de Steegakker van centrum naar de Hiense kerk. Hien-Wely was ook weer een beetje apart.

In het centrum stond de Wilhelminaboom. Dat was meestal de plaats waar muziek werd gemaakt.

Nostalgie

Ik schrijf hier over de jaren 1922 tot 1939. De jaren dat alles nog ongeschonden was wat de natuur betreft. Dodewaard had nog de oude bebouwing.

Er is nu zoveel veranderd. Niet alleen de natuur die ze zo beschadigd hebben, maar ook de mentaliteit van de mensen, niet iedereen kent elkaar nog. Er is veel import gekomen uit alle streken van het land.
De gezelligheid van toen is verdwenen. Dat is niet alleen in Dodewaard zo, maar over het algemeen in de dorpjes in de Betuwe. De mensen staan elkaar niet meer zo bij als toen. Daarmee wil ik niet zeggen dat het toen altijd koek en ei was, Ook toen waren er burenruzie’s.

Er was belangstelling voor elkaar. Buurvrouwen hielpen elkaar in de huishouding als er een bevalling was geweest. En als de huisslachting had plaats gevonden kwamen de buren zogenaamd vet prijzen en werd er een stevige borrel gedronken. Ze kregen een hutspot mee naar huis bestaande uit een worst, spek en karbonade.
Ook met bruiloften, verjaardagen en andere feestjes was er altijd plezier. En soms, al was er geen bruiloft of verjaardag, dan werd er toch gefeest door jongelui met muziekinstrumenten.

Rijke boeren

Er waren bij ons in het dorp zeer rijke boeren, die liever beurden dan dat ze iets zouden weggeven. Wij hadden niet veel met ze op. Ze hadden voor de arbeider geen cent over .
Vaak hadden deze boeren ook nog huizen die ze verhuurden. Als je een nieuwe deur in je huis moest hebben waren ze niet thuis. Het koste teveel geld.

Een ding vergeet ik nooit. Mijn vader ging de huur betalen van de woning en de werkplaats. Vader moest met de pet onder de arm het geld gaan afgeven bij de heer Taats. Deze had een opzichter in dienst die veel erger was dan de eigenaar. Wij noemden hem ‘de beste Das’.

Natuur

Ons dorp had veel historische gebouwen en zeer oude boerderijen. Tegenover de oude kerk lag een prachtig natuurreservaat.

De uiterwaarden langs de rivier de Waal waren geweldige viswaters waar veel vis werd gevangen voor consumptie. Er waren vele soorten vis, zoals zalm, finte, voorn, snoek, baars, alvertjes, paling en alle blankvissen. Sommige soorten kon je niet het hele jaar door op vissen, zoals de zalm en de Finte omdat die kuit gingen schieten in Zwitserland. Ook was er Prikpaling die van zee kwam en met de grote schepen stroomopwaarts trok.

Men viste met fuiken en netten, maar daar moest je wel een vergunning voor hebben.
Geurt verkuil vas de vader van mijn vriend. Hij was binnenvaartvisser van beroep. In de Waal lag ook een schokker die speciale vis ving.

Mijn vader had een grote hobby en dat was vissen met een net. Daar had je een vergunning voor nodig, maar die was erg duur. Vader viste altijd zonder en politieman Dijkhorst probeerde mijn vader altijd te bekeuren.
Op een avond sprak vader met zijn zwager Ruth Boone af om ‘s nachts mee te gaan vissen. Nu moest dat in alle stilte gebeuren want Dijkhorst mocht niets in de gaten hebben. In het duister werd alles in de roeiboot in orde gemaakt voor de vangst en ze vertrokken het water op.
Het binnenhalen van het net was een zwaar werk. Ze hadden de eerste vangst binnen en alles moest in de stilte gebeuren want op het water klinkt alles luider dan aan wal. Alles ging volgens plan, maar met het binnenhalen van het tweede net werd de stilte verbroken. Mijn oom liet zulk een harde wind liet at deze over het water klonk. Vader en oom moesten lachen, maar veldwachter Dijkhorst had het gehoord.
Bij terugkeer naar de dijk stond tot hun grote schrik veldwachter Dijkhorst mijn vader en oom op te wachten. Na een ‘nu heb ik je eindelijk te pakken’ werd een bekeuring opgemaakt en het dure visnet in beslag genomen. Het visnet werd door de rechtbank in Tiel verbeurd verklaard. De vis mocht vader behouden.

Dit zijn de herinneringen uit mijn jeugd. Opgeschreven op vierentachtigjarige leeftijd.

Henny Huiberts